Hooglied/Onderwerpen: verschil tussen versies

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Regel 92: Regel 92:
  
 
''Hoo 3:10  De pilaren derzelve maakte hij van zilver, haar vloer van goud, haar gehemelte van purper; het binnenste was bespreid met de liefde van de dochteren van Jeruzalem. (SV)''
 
''Hoo 3:10  De pilaren derzelve maakte hij van zilver, haar vloer van goud, haar gehemelte van purper; het binnenste was bespreid met de liefde van de dochteren van Jeruzalem. (SV)''
 +
 +
== Lelies ==
 +
In Hooglied zegt de bruid van haar geliefde:
 +
 +
''Hoo 2:16  Mijn Liefste is mijn, en ik ben Zijn, Die weidt onder de leliën, (SV)''
 +
 +
''Hoo 5:13  Zijn wangen zijn als een bed van specerijen, als welriekende torentjes; Zijn lippen zijn als leliën, druppende van vloeiende mirre. (SV)''
 +
 +
''Hoo 6:2  Mijn Liefste is afgegaan in Zijn hof, tot de specerijbedden, om te weiden in de hoven, en om de leliën te verzamelen. (SV)''
 +
 +
''Hoo 6:3  Ik ben mijns Liefsten, en mijn Liefste is mijn, Die onder de leliën weidt. (SV)''
 +
 +
De bruidegom zegt van zijn liefste:
 +
 +
''Hoo 4:5  Uw twee borsten zijn gelijk twee welpen, tweelingen van een ree, die onder de leliën weiden. (SV)''
 +
 +
''Hoo 7:2  Uw navel is als een ronde beker, dien geen drank ontbreekt; uw buik is als een hoop tarwe, rondom bezet met leliën. (SV)''
  
 
         
 
         

Versie van 13 jul 2019 om 07:22


Onderwerpen van het Bijbelboek Hooglied wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Bruid

'Bruid'

De vrouw wordt 6x 'bruid' genoemd, voor het eerst in 4:8, daarna in 4:9-12 en 5:1.

'Mijn zuster'

De bruidegom noemt haar 5x 'mijn zuster', in 4:9, 10, 12 en 5:1, 2.

'Mijn duive'

Hij noemt haar 3x 'mijn duive' (2:14; 5:2; 6:9). De duif is een tedere en 'oprechte' vogel.

Mt 10:16  Zie, Ik zend u als schapen midden onder wolven, weest dan voorzichtig als de slangen en oprecht als de duiven. (Telos)

In 1:15 zegt de bruidegom dat haar ogen (gelijk) duiven zijn.

Haar liefde

Haar liefde is schoon, uitnemend, beter dan wijn.

Hoo 4:10  Hoe schoon is uw uitnemende liefde, Mijn zuster, o bruid! hoeveel beter is uw uitnemende liefde dan wijn, en de reuk uwer oliën dan alle specerijen! (SV)

Haar schoonheid

De bruidegom noemt haar 'schoon' (1:15, 6:4), 'mijn schone' (2:10, 13), ja, 'schoonste onder vrouwen' (1:8). Onderdelen van haar schoonheid:

  • haar ogen (4:1). Met één van haar ogen (en met één halsketting) nam zij zijn hart in (4:9).
  • haar haar (4:1)
  • haar tanden (4:2)
  • haar lippen (4:3)
  • de slaap van haar hoofd (4:3)
  • haar hals (4:4)

'Schoonste onder de vrouwen'

Deze woorden komen ook voor in 1:8, 5:9 en 6:1. In 1:8 lijken ze gesproken te worden door de bruidegom, in 5:9 door de dochters van Jeruzalem.

Haar smaak

Hoo 4:11  Uw lippen, o bruid! druppen van honigzeem; honig en melk is onder uw tong, ... . (SV)

Haar geur

Hoo 4:10  Hoe schoon is uw uitnemende liefde, Mijn zuster, o bruid! hoeveel beter is uw uitnemende liefde dan wijn, en de reuk uwer oliën dan alle specerijen! Hoo 4:11  Uw lippen, o bruid! druppen van honigzeem; honig en melk is onder uw tong, en de reuk uwer klederen is als de reuk van Libanon. (SV)

Haar lippen

Zijn als een scharlaken snoer (4:3). Ze druppen van honigzeem (4:11).

Haar tong

Onder haar tong is honig en melk (4:11).

Haar gedaante

De bruidegom vindt haar gedaante 'liefelijk' (2:14)

Haar stem en spraak

De bruidegom vindt haar stem 'zoet' (2:14) en wenst hem te horen (2:14). Haar spraak is 'liefelijk' (4:3).

Haar sieraad

De bruidegom vermeldt ook sieraden van zijn vriendin. Met één ketting van haar hals (en met één van haar ogen) heeft zij zijn hart ingenomen (4:9).

Haar kleding

Haar kleren hebben een geur als die van het Libanon-gebergte (4:11).

Bruidegom

De mannelijke hoofdfiguur van Hooglied is koning (1:4) èn herder (1:7), 'die weidt onder de leliën' (2:16).

Zijn liefde

Zijn liefde is uitnemend, beter dan wijn.

Hoo 1:2  Hij kusse mij met de kussen Zijns monds; want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn. (SV)

Zijn geur

Hoo 1:3  Uw oliën zijn goed tot reuk, Uw naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief. (SV)

Zijn schoonheid

Zijn uitwendige schoonheid wordt door de bruid beschreven in 5:10v.

Dochters van Jeruzalem

Meermaals spreekt de bruid tot de dochters van Jeruzalem:

Hoo 1:5  Ik ben zwart, doch liefelijk (gij dochteren van Jeruzalem!), gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Salomo. (SV)

Al in het begin (1:3v) spelen zij mee.

Hoo 1:3  Uw oliën zijn goed tot reuk, Uw naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief. Hoo 1:4  Trek mij, wij zullen U nalopen! De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren; wij zullen ons verheugen en in U verblijden; wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden, meer dan den wijn; de oprechten hebben U lief. (SV)

Driemaal wordt de dochters van Jeruzalem bezworen om de liefde niet voortijdig op te wekken.

Hoo 2:7  Ik bezweer u, gij, dochteren van Jeruzalem! die bij de reeen, of bij de hinden des velds zijt, dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het dezelve luste! (SV)

Hoo 3:5  Ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem! die bij de reeen of bij de hinden des velds zijt, dat gij de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het haar luste! (SV)

Hoo 8:4  Ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem! dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het dezelve lust! (SV)

Het statiebed van Salomo was van binnen bekleed met de liefde van Jeruzalems dochters.

Hoo 3:10  De pilaren derzelve maakte hij van zilver, haar vloer van goud, haar gehemelte van purper; het binnenste was bespreid met de liefde van de dochteren van Jeruzalem. (SV)

Lelies

In Hooglied zegt de bruid van haar geliefde:

Hoo 2:16  Mijn Liefste is mijn, en ik ben Zijn, Die weidt onder de leliën, (SV)

Hoo 5:13  Zijn wangen zijn als een bed van specerijen, als welriekende torentjes; Zijn lippen zijn als leliën, druppende van vloeiende mirre. (SV)

Hoo 6:2  Mijn Liefste is afgegaan in Zijn hof, tot de specerijbedden, om te weiden in de hoven, en om de leliën te verzamelen. (SV)

Hoo 6:3  Ik ben mijns Liefsten, en mijn Liefste is mijn, Die onder de leliën weidt. (SV)

De bruidegom zegt van zijn liefste:

Hoo 4:5  Uw twee borsten zijn gelijk twee welpen, tweelingen van een ree, die onder de leliën weiden. (SV)

Hoo 7:2  Uw navel is als een ronde beker, dien geen drank ontbreekt; uw buik is als een hoop tarwe, rondom bezet met leliën. (SV)