Jakobus (zoon van Zebedeüs)

Uit Christipedia
Versie door Kees Langeveld (overleg | bijdragen) op 10 mrt 2019 om 07:38
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Jacobus de zoon van Zebedeüs was één van de twaalf apostelen van de Heer Jezus. Lukas noemt hem "Jacobus, de broer van Johannes" (Hand. 12:2).

Hij wordt, ter onderscheiding van Jacobus de zoon van Alfeüs, buiten de Bijbel ook genoemd ‘Jacobus de Oudere’ of ‘Jacobus de Meerdere’.

Familie. Hij was een zoon van Zebedeüs en Salome, broer van Johannes, die eveneens tot de twaalf behoorde.

Tegelijk met zijn broer werd hij door Jezus van achter het visnet tot het apostelambt geroepen. Daar hij op enkele uitzonderingen na (Luc. 8:51; 9:28) overal vóór Johannes genoemd wordt, meent men, dat hij ouder dan deze was.

Mt 4:21 En toen Hij vandaar verder was gegaan, zag Hij twee andere broers, Jakobus, de zoon van Zebedeus, en zijn broer Johannes, terwijl zij in het schip met hun vader Zebedeus bezig waren hun netten te verstellen. En Hij riep hen; (Telos)

Mt 10:2 De namen nu van de twaalf apostelen zijn deze: als eerste Simon, Petrus geheten, en zijn broer Andreas, Jakobus, de zoon van Zebedeus, en zijn broer Johannes, (Telos)

Neven van Jezus? Indien op grond van Joh. 29: 25 mag aangenomen worden, dat Salome de volle zuster van de moeder van Jezus geweest is, dan waren de beide broeders neven van de Heer.

Drietal. Jakobus en Johannes waren 'deelgenoten', compagnons, van Simon Petrus in de visserij.

Lu 5:10 en evenzo ook Jakobus en Johannes, zonen van Zebedeus, die deelgenoten van Simon waren. En Jezus zei tot Simon: Wees niet bang, van nu aan zul je mensen vangen. (Telos)

Jakobus maakte met zijn broer en met Petrus het bekende drietal uit, dat het innigst met de Meester verbonden was. Na de hemelvaart worden zij als eerste drie genoemd in:

Hnd 1:13 En toen zij de stad waren binnengekomen, gingen zij op naar de bovenzaal, waar zij verblijf hielden: Petrus, Johannes, Jakobus en Andreas, Filippus en Thomas, Bartholomeus en Mattheus, Jakobus de zoon van Alfeus, Simon de Zeloot en Judas, de broer van Jakobus. (Telos)

'Zonen van de donder'. Hun hartstochtelijke ijver was oorzaak, dat zij door Jezus ‘Boanerges’, d.w.z. ‘zonen van de donder’ genoemd werden.

Verzoek. Jakobus en zijn broer, misschien omdat zij met Petrus getuigen mochten zijn van de opwekking van Jaïrus' dochtertje en van Jezus' verheerlijking op een hoge berg, verzochten Jezus naast hem te mogen zitten in zijn heerlijkheid.

Mr 10:37 Zij nu zeiden tot Hem: Geef ons dat wij mogen zitten, een aan uw rechterhand en een aan uw linkerhand, in uw heerlijkheid. Mr 10:38 Jezus echter zei tot hen: U weet niet wat u vraagt. Kunt u de drinkbeker drinken die Ik drink, of met de doop worden gedoopt waarmee Ik word gedoopt? Mr 10:39 Zij nu zeiden tot Hem: Wij kunnen het. Jezus nu zei tot hen: De drinkbeker die Ik drink, zult u drinken, en met de doop waarmee Ik word gedoopt, zult u worden gedoopt; Mr 10:40 maar het zitten aan mijn rechterhand of aan mijn linkerhand is niet aan Mij om te geven, maar is voor hen wie het is bereid. Mr 10:41 En toen de tien dit hoorden, begonnen zij het Jakobus en Johannes zeer kwalijk te nemen. (Telos)

Jacobus, Johannes en Petrus werden door Jezus' meegenomen in de hof van Gethsémané.

Mr 14:33 En Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met Zich mee. En Hij begon ontsteld en zeer beangst te worden, (Telos)

Marteldood. Met eer wordt overigens Jakobus in de Heilige Schrift vermeld. Zijn einde was de kroon op zijn leven. Hij stierf op het einde van het jaar 43 op bevel van Herodes Agrippa I als martelaar voor zijn geloof.

Hnd 12:1 Omstreeks die tijd nu sloeg koning Herodes de handen aan sommigen van de gemeente om hun kwaad te doen; Hnd 12:2 en hij doodde Jakobus, de broer van Johannes, met het zwaard. Hnd 12:3 Toen hij nu zag dat het de Joden welgevallig was, ging hij verder door ook Petrus gevangen te nemen (het waren nu de dagen van de ongezuurde broden), (TELOS)

Bron

P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling. Haarlem: De erven F. Bohn, 1866. Tekst van het lemma 'Jacobus' is op 16 aug. 2014 verwerkt.