Oude kerkgeschiedenis

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De oude kerkgeschiedenis is hier de geschiedenis van de Christelijke kerk, of de geschiedenis van de christenheid, vanaf haar ontstaan bij de komst van de Heilige Geest rond het jaar 30, tot paus Gregorius 590 na C. 

Voor een inleidend artikel over de kerkgeschiedenis, zie art. Kerkgeschiedenis

Van de oude kerkgeschiedenis man men de volgende tijdsindeling maken[1]:

1. c. 30 - c. 100 n.C.: de Apostolische eeuw
    De stichting van de gemeente en haar ontwikkeling in de tijd der apostelen.

2. 100 – 323: De wording van de katholieke kerk
    Het ontstaan en de ontwikkeling van de katholieke kerk tot op Constantijn de Grote (323 n.Chr.)

3. 323 – 590: Grieks-Romeinse rijkskerk.
    Van het jaar 323 tot Gregorius I 590.

De Apostolische eeuw (c. 30 - c. 100 n.C.)

Het eerste tijdvak van de oude kerkgeschiedenis is de apostolische eeuw (30 - c. 100 n.C.), de tijd van de Pinksterdag tot circa 100. Deze periode heeft door het werk van de apostelen en de teboek­stelling van de Nieuw-Testamentische geschriften een grondleggend karakter gehad. De kerkgeschiedenis begint met de geboorte van de gemeente van Jezus Christus: de samenvoeging van de gelovigen, door de Heilige Geest, tot één lichaam, met als Hoofd de verheerlijkte Heer in de hemel. 

± 30 n.C. Stichting van de Christelijke kerk. 
44 n.C. Jacobus, de broeder van johannes, gedood.
50 n.C. Apostelconvent te Jeruzalem.
48-50 n.C. Eerste zendingsreis van Paulus. 
52-54 n.C.Tweede zendingsreis van Paulus. 
55-58 n.C. Derde zendingsreis van Paulus. 
54-68 n.C. Nero, keizer te Rome.
61 n.C. Paulus komt te Rome. 
62 n.C. Steniging van Jacobus de Rechtvaardige.
64 n.C. Vervolging der Christenen onder Nero. Paulus en Petrus (?) gedood.
70 n.C. Verwoesting van jeruzalem.
81-96 n.C. Domitianus, keizer te Rome.

Gedurende deze eerste eeuw heeft zich het Christendom uitgebreid over het gehele Romeinse rijk. Spanje en Brittannië (Engeland) beweren het zelfs van de apostel Paulus ontvangen te hebben. Klein-Azië was het brandpunt der evangelisatie die zich naar Europa, Africa en Azië uitstrekte. De werkzaamheden der apostelen behalve wat het boek der Handelingen meldt, zijn weinig bekend. Overleveringen van welke enigen weinig geloof verdienen, doen Petrus te Rome sterven, Mattheus in Ethiopië (Abyssinië) met de kamerling van Candacé arbeiden, Marcus Egypte evangeliseren, Andreas naar Scythië reizen, Stachys aanstellen als eerste bisschop van Byzantium (Constantinopel) en te Patras in Achaïa de marteldood ondergaan, Filippus van Bethsaïda in Gallië prediken, en te Hiërapolis in Phrygië gedood worden, Bartholomeus naar Indië (anderen zeggen Arabië) reizen en te Albanopolis in Armenië gekruisigd worden, Thomas Didymus, te Edessa in Mesopotamië de Koning Abgar bekeren, naar Arabië, Perzië, Indië ja tot Ceylon toe het evangelie brengen, en de kerken stichten der zogenoemde Christenen van St. Thomas op de kust van Malabaar, Jacobus de zoon van Alpheus in Spanje arbeiden, Judas Thaddeus na Arabië en Mesopotamië geëvangeliseerd te hebben, in Perzië de marteldood ondergaan, Matthias Macedonië en Simon Cananites het noorden van Africa tot arbeidsveld kiezen. Er zijn er die menen dat de Simon zoon van Cleopas die gedood werd in 106, deze Simon de Cananiter geweest is. 

Naast en na de apostelen zijn de oudste 'kerkvaders' en bepaaldelijk de vijf 'apostolische kerkvaders' tot deze eeuw te brengen, namelijk

  • Clemens (Filip. 4:3), ouderling te Rome, onder wiens naam wij twee brieven aan de Corinthiërs bezitten van welke de eerste waarschijnlijk echt is,
  • Hermas (Rom. 16:14) onder wiens naam een later geschreven boek de herder bekend is,
  • Barnabas, Paulus reisgenoot, onder wiens naam mede een brief tot ons is gekomen
  • Ignatius bisschop van Antiochië, ontslapen in 106
  • en Polycarpus bisschop van Smyrna, discipel van Johannes, ontslapen in 167

Zij zijn schrijvers van brieven (waarvan sommigen voor onecht zijn aangemerkt).

Reeds tot de eerste eeuw behoren ketters en ketterse sekten, als Doceten, Gnostieken van verschillende benamingen, Ebionieten, Nazareërs, Nazoreërs, Nicolaïeten.

Wording van de Katholieke kerk (100-323 n.C.)

Het tweede tijdvak van de oude kerkgeschiedenis is de tijd van de wording van de Katholieke kerk (100-323 n.C.): het ontstaan en de ontwikkeling van deze kerk. Dit tijdvak kenmerkt zich door strijd. Het oude Jodendom en het oude Heidendom riepen een strijd in het leven binnen de kerk en het geweld van den Romeinse staat en de Hei­dense wetenschap bekampten haar van buiten. Uit deze strijd kwam de kerk als de Katholieke zegevierend te voorschijn. Haar overwinning werd bekroond, toen Constantijn aan de regering kwam.

98-117 n.C. Trajanus, keizer te Rome.
115. Ignatius van Antiochië martelaar geworden.
117-138. Hadrianus keizer te Rome.
± 130. Gnosticisme.
138-161. Antoninus Pius, keizer te Rome.
± 150. Celsus.
154. Strijd tusschen Polycarpus en Anicetus over het Paasfeest.
155 (?) Polycarpus de marteldood gestorven.
± 160. Montanus treedt als profeet op.
161-180. Marcus Aurelius, keizer te Rome. Vervolging in Zuidelijk-Gallië.
166. Justinus de Martelaar ondergaat de marteldood.
174-189. Eleutherus, bisschop van Rome.
177. Christenvervolging te Lugdunum.
178. Irenaeus wordt bisschop te Lugdunum.
189-199. Victor, bisschop te Rome.
192-194. Strijd over het Paasfeest tussen Victor en Polycrates.
193-211. Regering van Romeins keizer Septimius Severus. Vervolging in Africa.

Uit de getuigenissen van Justinus Martyr, Irenaeus, Tertullianus blijkt dat zich het Christendom gedurende de tweede eeuw niet slechts in het Romeinse rijk maar ook in de omliggende landen heeft uitgebreid, ofschoon de stichting van de meeste gemeenten in duisterheid ligt. Niettegenstaande de zware vervolgingen vermeerdert het aantal Christenen steeds en vormt in de staat een zeer machtige minderheid, zoals de Israëlieten door natuurlijke aanwas in Egypte.

In de gemeente zelf ontstaan echter behalve de nagenoemde sekten, verscheidene dwaalbegrippen en verkeerde praktijken, als:

  • een overdreven zucht naar het martelaarschap, waardoor in de 4e vervolging Christenen genoopt worden zich zelven aan te klagen;
  • en daartegenover, het afkopen van vervolging door rijke gemeenten en particulieren bij heidense magistraten;
  • het gebruik maken van onedele wapenen in de strijd voor de waarheid als van ondergeschoven en onechte boeken, drogredenen die men zelf weet vals te zijn, het beroep op de zogenoemde Sibyllynse orakels enz.

Langzamerhand sluipt een meer uitgebreide hierarchie in de kerk; er wordt onderscheid gemaakt tusschen Episcopus (bisschop of opziener) en Presbyter (priester of ouderling); vier orden van geestelijken ontstaan, bisschop, priester, diaken en lector (voorlezer.)

Tegen het einde van de tweede eeuw verheffen zich de bisschoppen der hoofdsteden van provinciën, metropolitanen genaamd boven de opzieners van andere steden en plaatsen. De reden hiervan ligt in de concilies of synoden, kerkelijke vergaderingen, die van het midden der eeuw af eerst in Griekenland, daarna in geheel de Christenheid, in de hoofdplaatsen (metropolen) plegen samen te komen, en door de bisschop van die plaats worden voorgezeten en geleid. Deze concilies zijn tevens een stap tot de centralisatie van bestuur die in de volgende eeuwen zo sterk in de kerk toeneemt.

Ook beginnen eenige uiterlijke plechtigheden in de kerk te sluipen, bijzondere dagen als Pasen en Pinksteren worden voor de doop afgezonderd, daarbij geschiedt afzwering van de duivel, indompeling, het teken van het kruis, handoplegging, zalving, en tenslotte het nuttigen van melk en honig. Sponsoren, of doopgetuigen zijn bij de plechtigheid aanwezig. Waarschijnlijk geraakt de kinderdoop in deze eeuw in zwang; het geven van het avondmaal ook aan kinderen schijnt mede gebruikelijk geweest te zijn misschien reeds in de eerste eeuw.

Bij het bidden neemt men de gewoonte aan zich naar het Oosten te keren.  

Onder de sekten bekleden de gnostieken (of gnostici) een eerste plaats, zie artikel Gnostiek over de gnostieken in de 2e eeuw. 

± 242. Manicheïsme.
249-251. Eerste algemene Christenvervolging onder Decius.
251. Schisma van Novatianus.
251-253. Cornelius, bisschop van Rome.
253-260. Valerianus, keizer te Rome.
254. Origenes gestorven.
254-257. Stefanus I, bisschop van Rome.
258. Cyprianus gemarteld.
259-268. Dionysius, bisschop van Rome.
260-268. Galliennus, keizer te Rome.
276. Mani gestorven.
284-305. Diocletianus, keizer te Rome.

300. Synode te Elvira.
303. Begin van de vervolging onder Diocletianus.
310-314. Melchiades, bisschop te Rome.
312. Constantijns veldtocht tegen Maxentius-Donatisten.
313. Edict van Milaan.
314-335. Sylvester I, bisschop van Rome.
323-337. Constantijn, eerste christelijke keizer; alleenheerser.

313

In het voorjaar van 313 vaardigde keizer Constantijn met zijn zwager Licinius het edikt van Milaan uit. Dit bevatte de volgende bepalingen:

  1. de vervolging van de Christenen moet gestaakt worden;
  2. alle staatsburgers mogen het Christendom omhelzen. Wie een anderen cultus willen volgen (op z'n minst 9/10 van de bevolking was niet-christen), genieten dezelfde vrijheid;
  3. alle geannexeerde kerken, begraafplaatsen en goederen moeten worden teruggegeven;
  4. de kerken en gemeenten moeten het recht van bezit en het erfrecht hebben.

Zó trad de kerk van Christus, na een verdrukking van drie eeuwen, glorierijk en zegepralend uit de strijd te voorschijn naar de belofte van haar Goddelijke Stichter: „Houdt moed! Ik heb de wereld overwonnen!” Christenen verlieten de catacomben.

Licinius overwon Maximinus in de slag van Adrianopel (april 313).

316

Licinius begon de Kerk weer te vervolgen (o.a. de veertig Martelaren van. Sebaste), doch hij wordt in 323 verslagen.

323

Licinius werd op 3 juli bij Byzantium door Constantijn verslagen. Constantijn was nu alleenheerser.

De uitbreiding van het christendom in deze periode

De heiden Plinius, stadhouder van Bithynië (Klein-Azië), meldt in een klaagschrift aan keizer Trajanus (keizer van 98 - 117): „Er is een groot aantal personen van elke ouderdom, stand en geslacht, dat deze godsdienst aanhangt. Dit kwaad bestaat niet alleen in de steden, maar is ook in de dorpen en op het platteland verbreid. Bij mijn aankomst in Bithynië zag ik onze tempels eenzaam en verlaten, de godsdienstige feesten geschorst, en nauwelijks vindt men er iemand, die de goden offers brengt.”[2]

Zelfs gedurende de hevigste vervolgingen breidde de Kerk van Christus zich immer verder uit. Zo kon reeds Justinus de Martelaar (ca. 100 — ca. 165) de heidenen triomfantelijk toeroepen: „Er is geen volk, waarbij niet in naam van de gekruisigde Christus gebeden en dankzeggingen aan de Vader en Schepper van de wereld opgedragen worden.”[3] Op dezelfde wijze sprak vijftig jaar later Tertullianus (ca. 160 — 220): "Wij bestaan eerst sinds gisteren en reeds vervullen wij alles: uw steden, eilanden, kastelen, dorpen, paleizen; slechts uw tempels laten we u behouden.”

Ook in West- en Midden-Europa waren vóór Constantijn, die in 306 keizer werd, vele christengemeenten. In Spanje o.a. te Leon, Saragossa, Merida, Terracona. In Gallië was Lyon, de hoofdstad van Gallië Lugdunensis, reeds in de tweede eeuw een bloeiende christengemeente. Te Arles vergaderden in 314 vele Gallische bisschoppen o.a. die van Arles, Lyon, Autun, Reims, Rouen, Bordeaux, Marseille. Ook Trier, Sens, Vienne, Bourges waren bisschopssteden. In Brittannië was in de vóór-Constantijnse tijd het christendom reeds doorgedrongen. Op de synode van Arles verschenen in 314 de bisschoppen van York, Londen en Lincoln. In 313 was Maternus bisschop van Keulen. De kerken van Mainz, Maastricht, Tongeren, Straatsburg zijn waarschijnlijk van vóór-Constantijnse oorsprong. Te Petovio in de Romeinse provincie Pannonië stierf opziener Victorinus in 303 de marteldood. Sirmium in Pannonië was een zeer belangrijk bisdom.

Deze roemrijke verbreiding van Jezus' leer is niet het werk van de mensen alleen, maar bovenal van God. De snelle aanwas der gelovigen, ondanks de hardnekkigste vervolging, levert het bewijs, dat de gemeente van Christus van goddelijke oorsprong is. Toch is er, behalve de wondervolle bescherming en ondersteuning door God, veel wat de zegepraal van de ware godsdienst krachtig bevorderd heeft. En wel vooral:

1. Inhoud van de christelijke leer. De verhevenheid en reinheid van de christelijke leer, welke verstand en gemoed van de mensen in alle opzichten bevredigen. Inzonderheid ook trokken de troostvolle beloften voor dit en het andere leven alle edel-denkende heidenen in hoge mate aan.

2. Heilige levenswandel. Nog meer echter was het de buitengewoon heilige levenswandel (levensstijl) van de eerste gelovigen, welke de heidenen met achting jegens de christelijken godsdienst vervulde. Want waar deze verkondigd werd, greep een wondervolle omkering van de zeden plaats. Daar werden de trotsen ootmoedig, de gierigen mild, de ontuchtigen kuis, de onmatigen ingetogen, de wraakzuchtigen vredelievend; daar vielen de ketenen van de slaven, de boeien van de gevangenen, daar eindigde de nood van de armen en lijdenden, daar werden allen „een van hart en een van ziel" (Hand. 4:32).

Plinius, de bovengenoemde landvoogd van Bythinië, legt het volgende loffelijke getuigenis van hen af: „Op een vastgestelde dag komen ze vóór zonsopgang bijeen en heffen lofzangen aan ter ere van Christus, hun God; ook verplichten ze zich bij eede, geen roof of echtbreuk, noch enig andere misdaad te bedrijven, hun beloften te houden, geen goed van anderen ten eigen bate aan te wenden.”[4] enz.

In de brief aan Diognetus (± 150) staat te lezen: „Zij (de christenen) zijn in het vlees, leven echter niet naar het vlees. Zij vertoeven op aarde, doch hun wandel is in de hemel... Waar is onder de misdadigers de naam van een christen te lezen? In de kerker is de christen niet, tenzij enkel omdat hij christen is. Zelf arm, maken ze velen rijk. Zegenen is hun wraak.”

ln 259 woedde de pest te Alexandrië, een stad in het noorden van Egypte. De geschiedschrijver Eusebius verhaalt, hoe velen, die het lichaam van hun christenbroeders in hun armen of op hun schoot namen, hun ogen en mond toedrukten en ze met alle zorg begroeven, hen weldra in den dood volgden. Ook tot niet-christenen strekte hun mededogen zich uit.

Niets heeft er zoveel toe bijgedragen, om na de ineenstorting van de oude wereld de mensen uit de zinnelijke verwarring en het zedenbederf te redden en hen weer voor het geestelijke terug te winnen, als de aanblik van vrouwelijke reinheid, die met heldhaftige doortastendheid en volharding weerstand bood aan een hele wereld van verdorvenheid.

De kerkhistoricus Adolf van Harnack (1851-1930) zegt dan ook: „Men mag gerust aannemen, dat zulke daden op niet-christenen een diepe indruk maakten en de propaganda machtig bevorderden.”[4] Ook hun heldhaftige vergevingsgezindheid stemde de volksmening steeds gunstiger: de christenen peinsden niet op wraak, maar vergolden kwaad met goed.

3. Standvastigheid van de martelaren. Ook de standvastigheid van de martelaren wekte de verbazing en bewondering van de heidenen. „Kruisigt ons — roept Tertullianus (leefde ca. 160-220) uit — foltert ons, verbrijzelt ons! Wij winnen in aantal, naarmate we door u worden weggemaaid: een zààd is het bloed van de christenen”[4]

Zelfs Jean Jacques Rousseau (18e eeuw) moest getuigen: „De christenen snellen naar het martelveld, en de volken stromen naar de doopvont. De geschiedenis van de eerste eeuwen van het christendom is een onafgebroken wonder.”[5] „Graag - zegt Pascal - gelooft men een mens die voor zijn getuigenis sterft.”[6]

De Grieks-Romeinse rijkskerk (323-590 n.C.)

Het derde tijdvak van de oude kerkgeschiedenis is de tijd van de Grieks-Romeinse rijkskerk (323-590 n.C.). Daarin zien we de Katholieke kerk zich huwen aan de staat. Ze wordt daardoor Grieks-Romeinse rijkskerk. In die kerk ontwikkelt zich het dogma, wordt het leven veruitwendigd, neemt de leer van de dubbele moraal vaste vormen aan en komt de hierarchie tot meerdere ontplooiing. 

325. Eerste oecumenische concilie te Nicea.
336. Athanasius verbannen. Arius gestorven.
337-352. Julius I, bisschop van Rome.
344. Synode te Sardica.
350-361. Constantius alleenheerser.
354-430. Augustinus.
361-363. Julianus de Afvallige ('Julianus Apostata').
362. Synode te Alexandrië onder Athanasius.
366-384. Damasus I, bisschop van Rome.
368. Hilarius Pictaviensis gestorven.
373. Athanasius gestorven.
379. Basilius de Grote gestorven.
379-385. Theodosius de Grote, keizer.
380. Synode te Saragossa.
381. Tweede oecumenische concilie te Constantinopel.
384-398. Siricius, bisschop van Rome.
395. Priscillianus te Trier onthoofd.
390. Gregorius Nazianzus gestorven.
397. Ambrosius gestorven.
399. Rufinus te Rome als Origenist veroordeeld.
400. Martinus van Tours gestorven.
402-417. Innocentius I, bisschop van Rome.
407. Chrysostomus gestorven.
408-450. Theodosius II in het Oosten.
411. Collatio cum Donatistis te Carthago.
412. Synode te Carthago tegen Coelestinus.
415. Synode te jeruzalem en Diospolis tegen Pelagius.
416. Synode te Carthago tegen Pelagius.
420. Hieronymus gestorven.
422-432. Coelestinus I, bisschop van Rome.
428. Nestorius, patriarch te Constantinopel.
429. Theodorus van Mopsuestia gestorven. De Vandalen in Noord-Africa.
430. Augustinus gestorven.
431. Derde oecumenische concilie te Efeze.
432. Patricius in Ierland.
440-461. Leo I, de Grote, bisschop van Rome.
444. Cyrillus van Alexandrië gestorven.
448. Eutyches te Constantinopel geëxcommuniceerd.
449. Roversynode te Efeze.
451. Vierde oecumenische concilie te Chalcedon.
457. Theodoretus gestorven.
482. Henotikon van Zeno.
484-519. 35-jarig schisma tussen het Oosten en het Westen.
496. Clovis gedoopt.
527-565. Justianus I, keizer.
529. Benedictus van Nursia geeft zijn regelen. De geleerdenschool te Athene opgeheven.
544. Veroordeeling der drie kapittels.
553. Vijfd oecumenische concilie te Constantinopel.
563. Concilie te Braga. Columba onder de Picten en Scoten.
589. Concilie van Toledo onder Rekkared.
590-604. Gregorius I, de Grote, bisschop te Rome.


Bronnen

  • J.H. Landwehr, Handboek der Kerkgeschiedenis. Vier delen. Kampen: J.H. Kok, 1922, 2e druk. Hieruit is tekst genomen.
  • J. W. van Loon, Beknopt chronologisch overzigt der Kerkgeschiedenis. Amsterdam, 1863. Google e-book. Hieruit is tekst genomen.
  • H.M.H. Bartels, Geschiedenis der Katholieke Kerk (Venloo: G. Mosmans senior, 1926) blz. 47. Enige tekst hiervan, betreffende de jaren 313, 316 en 313, is onder wijziging verwerkt.

Voetnoot

  1. Naar J.H. Landwehr, Kerkgeschiedenis, artikel in: Christelijke Encyclopaedie voor het Nederlandsche Volk. Kampen: Kok, 1925-1931.
  2. Aangehaald in: H.M.H. Bartels, Geschiedenis der Katholieke Kerk (Venloo: G. Mosmans senior, 1926) blz. 51-52.
  3. Aangehaald in: H.M.H. Bartels, Geschiedenis der Katholieke Kerk (Venloo: G. Mosmans senior, 1926) blz. 50.
  4. 4,0 4,1 4,2 Aangehaald in: H.M.H. Bartels, Geschiedenis der Katholieke Kerk (Venloo: G. Mosmans senior, 1926) blz. 52.
  5. Aangehaald in: H.M.H. Bartels, Geschiedenis der Katholieke Kerk (Venloo: G. Mosmans senior, 1926) blz. 52-53.
  6. Aangehaald in: H.M.H. Bartels, Geschiedenis der Katholieke Kerk (Venloo: G. Mosmans senior, 1926) blz. 53.