2 Korinthiërs/Hoofdstuk 11

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Hoofdstuk 11 van het Bijbelboek 2 Korinthiërs wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

2 Cor. 11:20

2Co 11:20 Want u verdraagt het, als iemand u in slavernij brengt, als iemand u opeet, als iemand van u neemt, als iemand zich verheft, als iemand u in het gezicht slaat. (Telos)

Als iemand u in het gezicht slaat. Streng en vernederend aanpakt. Misschien dat de valse apostelen het letterlijk deden.

2 Cor. 11:23

2Co 11:23 Zijn zij dienaars van Christus? - ik spreek als een onzinnige - ik bovenmate. In arbeid zeer overvloedig, in gevangenissen zeer overvloedig, in slagen bovenmatig veel, dikwijls in doodsgevaren. (Telos)

Ik bovenmate. Vergelijk:

1Co 15:10 Maar door de genade van God ben ik wat ik ben; en zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; maar niet ik, maar de genade van God met mij. (Telos)

2 Cor. 11:29

2Co 11:29 Wie is zwak, en ik ben niet zwak? Wie vindt aanleiding tot vallen, en ik brand niet? (Telos)

Aanleiding tot vallen. Aanstoot, ergernis, waaraan men zich stoot en hierdoor ten val komt, d.w.z. zondigt.

En ik brand niet. Van sterke begeerte, hartstocht, die Paulus dreigde mee te slepen en zelfbeheersing van hem eiste. Het woord 'branden' wordt hier in overdrachtelijke zin gebruikt. Hetzelfde Griekse woord komt voor in:

1Co 7:9 Maar als zij zich niet kunnen onthouden, laten zij trouwen; want het is beter te trouwen dan van begeerte te branden. (Telos)