2 Korinthiërs/Hoofdstuk 2

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Hoofdstuk 2 van het Bijbelboek 2 Korinthiërs wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

2:1-11 Droefheid en blijdschap

2:12-17 Paulus’ dienst

Hij spoort de gelovigen aan de berouwvolle gevallen broeder weer aan te nemen. Hiermee sluit hij aan op de 1e brief. Vanaf vers 12 spreekt Paulus weer over zijn arbeid en bediening.

2 Kor. 2:12

2Co 2:12  Toen ik nu in Troas kwam voor het evangelie van Christus en mij een deur geopend was in de Heer, had ik geen rust in mijn geest, daar ik mijn broeder Titus niet vond; (Telos)

In Troas kwam. Een stad in het noordwesten van het huidige Turkije → Troas. Paulus kwam er tijdens zijn derde zendingsreis.

2 Kor. 2:14

2Co 2:14  En God zij dank, die ons altijd in triomf omvoert in Christus en de reuk van zijn kennis door ons openbaar maakt op elke plaats. (Telos)

De reuk van zijn kennis. Paulus bediende het evangelie van God op priesterlijke wijze.

Ro 15:16  dat ik dienaar van Christus Jezus zou zijn voor de volken, om het evangelie van God priesterlijk te bedienen, opdat de offerande van de volken welgevallig zou zijn, geheiligd door de Heilige Geest. (Telos)

Vergelijk ook de aangename geur van de naam van de Bruidegom in Hooglied:

Hoo 1:3  Uw oliën zijn goed tot reuk, Uw naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief. (SV)

2 Kor. 2:16

2Co 2:16  voor de laatsten wel een reuk uit de dood tot de dood, maar voor de eersten een reuk uit het leven tot het leven. - En wie is tot deze dingen bekwaam? (Telos)

Vergelijk:

1Pe 2:7 Voor u dan die gelooft, is dit kostbare; maar voor de ongelovigen: ‘De steen die de bouwlieden hebben verworpen, deze is tot een hoeksteen geworden’, en’ een steen des aanstoots en een rots der ergernis’. 1Pe 2:8 Daar zij ongehoorzaam zijn, stoten zij zich aan het woord, waartoe zij ook bestemd zijn. (Telos)

Een reuk uit de dood... Een reuk zoals de dood die heeft en van zich geeft.

... tot de dood. Wie het evangelie van Gods genade afwijst, bereidt zichzelf de dood.

Maarten Luther: “Het is een wonderbare zaak dat het Evangelie, dat de mensen moest vertederen en tot bekering leiden, hen nog harder, erger en bozer doet worden; maar het gaat toch met de zon zo ook. Deze schijnt op slijk en modder; die is week en vol water, maar de vochtigheid droogt weg door de warmte, door de hitte van de zon en de klei wordt zo hard als een steen of een kei. Schijnt daarentegen de zon op was, die hard is, zodat men die met bijlen en hamers van elkaar moet slaan, dan voelt die nauwelijks de warmte van de zon, of zij wordt zacht, gaat uiteen, smelt en wordt vloeibaar. Zo worden ook enigen door de prediking van Gods woord slechts erger en verstokter en voor hen is het woord een reuk ten dode, maar andere harten bekeren zich daardoor tot God en worden zalig en voor hen is het Evangelie een reuk ten eeuwigen leven.”[1]

2 Kor. 2:17

2Co 2:17  Want wij zijn niet als de velen die het woord van God vervalsen; maar als uit oprechtheid, maar als uit God, spreken wij voor Gods aangezicht in Christus. (Telos)

Vervalsen. Of 'met het woord van God handel drijven' of 'met het woord van God marchanderen'[2].

Uit oprechtheid. Zuiver, zonder winstoogmerk, zonder geldelijk motief.

Voetnoten.

  1. Aangehaald in: Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op 2 Cor. 2:16.
  2. Het Nieuwe Testament; herziene Voorhoeve-uitgave (Vaassen: uitgeverij H. Medema, 1982). Aantekening.