Achan

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Achan, ook Achar genoemd, was een Israëliet uit Juda, die zondigde door, in het geheim, zich kostbaarheden toe te eigenen uit de door God verbannen buit, welke Israël te Jericho had behaald. Na de nederlaag bij Ai werd hij op Gods aanwijzing ontdekt, en met al de zijnen gestenigd. Het voorval staat beschreven in Joz. 7.

De naam Achan betekent bedroevend[1]. In 1 Kron. 2 wordt hij Achar genoemd, van het werkwoord Achor = drabbig maken, bedroeven, in het ongeluk storten[1].

1Kr 2:7  De zoon van Charmi was Achar, die Israël in het ongeluk stortte, omdat hij ontrouw was met dat wat door de ban gewijd was. (HSV)

Het dal waar hij werd gestenigd kreeg de naam Dal van Achor = dal van beroerte of bedroeving[1].

Achan was een zoon van Charmi (ook Karmi) en een achter-achterkleinzoon van Juda en Tamar.

Geslachtslijn
Juda
 
Tamar
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Zerah
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Zabdi
 
 
 
 
 
 
 
 
Karmi
 
 
 
 
 
 
 
 
Achan

Vóór de verovering van Jericho had Jozua zijn volksgenoten verboden iets van de buit te nemen voor zichzelf. De buit moest bij de schat van Jahweh komen.

Joz 6:17  Doch deze stad zal den HEERE verbannen zijn, zij en al wat daarin is; alleenlijk zal de hoer Rachab levend blijven, zij en allen, die met haar in het huis zijn, omdat zij de boden, die wij uitgezonden hadden, verborgen heeft.  Joz 6:18  Alleenlijk dat gijlieden u wacht van het verbannene, opdat gij u misschien niet verbant, mits nemende van het verbannene, en het leger van Israël niet stelt tot een ban, noch datzelve beroert.  Joz 6:19  Maar al het zilver en goud, en de koperen en ijzeren vaten, zullen den HEERE heilig zijn; tot den schat des HEEREN zullen zij komen. (SV)

Achan gestenigd

Helaas gehoorzaamde Achan het verbod niet. Vermoedelijk was het hebzucht die hem aanzette, van het verbannene te nemen. Als gevolg van deze overtreding moest het Israëlitische volk vluchten voor en werd het geslagen door de inwoners van Ai, de volgende stad die zij wilden innemen. Israël had na afloop 36 doden te betreuren.

De oorzaak was de overtreding van Achan. Hiervoor kreeg hij de doodstraf door steniging. De straf werd uitgevoerd in een dal ten noorden van Jericho. Zijn gezin deelde in zijn lot.

Joz 7:24  Toen nam Jozua, en gans Israël met hem, Achan, den zoon van Zerah, en het zilver, en het sierlijk overkleed, en de gouden tong, en zijn zonen, en zijn dochteren, en zijn ossen, en zijn ezelen, en zijn vee, en zijn tent, en alles wat hij had; en zij voerden ze naar het dal Achor.  Joz 7:25  En Jozua zeide: Hoe hebt gij ons beroerd? De HEERE zal u beroeren te dezen dage! En gans Israël stenigde hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur, en zij overwierpen hen met stenen.  Joz 7:26  En zij richtten over een groten steenhoop, zijnde tot op dezen dag. Alzo keerde zich de HEERE van de hittigheid Zijns toorns. Daarom noemde men den naam dier plaats het dal van Achor, tot dezen dag toe. (SV)

Joz 22:20  Heeft niet Achan, de zoon van Zerah, overtreding begaan met het verbannene, en kwam er niet een verbolgenheid over de ganse vergadering van Israël? En die man stierf niet alleen in zijn ongerechtigheid.(SV)

Bron

P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling. Haarlem: De erven F. Bohn, 1866. Tekst van het lemma 'Achan' is op 30 aug. 2019 onder wijziging verwerkt.

Voetnoot

  1. 1,0 1,1 1,2 S.J. van Ronkel, Woordenboek der eigennamen, naar hunne eerste spelling en oorspronkelijke uitspraak met eene korte beschrijving de personen, landen en plaatsen, in het Oude Testament voorkomende, en voor het grootste gedeelte ook etymologisch behandeld. (Groningen: M. Smit, 1835) s.v. Achan. Van Ronkel was hoofdonderwijzer aan een Joodse school en beëdigd vertaler.