Afgod

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een afgod is een voorwerp van goddelijke verering dat niet de ware God is.

Over de verering en dienst aan een afgod (afgodendienst, afgoderij), zie artikel Afgoderij.

Jes 48:5 daarom heb Ik het u van oudsher verkondigd; voordat het kwam, heb Ik het u doen horen, anders zou u zeggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan, mijn gesneden beeld of mijn gegoten beeld heeft ze geboden. (HSV)

1Co 8:4 wat dan het eten van de afgodenoffers betreft, wij weten dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen God is dan Een.
(…)
1Co 10:19 Wat wil ik hiermee dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is of dat een afgod iets is?

(TELOS)

Er is enig verschil in betekenis tussen “afgod” en “valse god(heid)”. Het woord “afgod” zegt dat het voorwerp van goddelijke verering niet God is. Het woord “valse godheid” (“valse god”) zegt dat het ten onrechte voor God gehouden wordt. Bij “valse godheid” komt het denkbeeld naar voren dat zij de ware godheid niet is, bij “afgod” meer bijzonder dat hij als God vereerd wordt.

Beide “afgod” en “valse god(heid)” drukken het denkbeeld van onrechtmatig bewezen goddelijke eer uit.

Wanneer men dit denkbeeld niet opzettelijk wil uitdrukken gebruikt men geen van beide woorden, maar “god” (met kleine letter 'g'). Men zegt dan bijvoorbeeld: “Jupiter Apollo Mars waren goden der oude Heidenen, Wodan en Thor goden der Noormannen”. Niet-christenen kunnen zo ook schrijven over 'de god der christenen', waarmee zij blijk geven van hun ongeloof aan onze God.  

Een beeldje van de afgod Baäl. Zijn armen en benen schijnen in beweging, maar, zegt de psalmist over de afgoden: "hun handen, die tasten niet; hun voeten, die gaan niet; er komt geen geluid uit hun keel." (Ps. 115:7)

Het woord “afgod” - met zijn denkbeeld van goddelijke verering van een voorwerp dat niet de ware God is - wordt figuurlijk gebruikt voor alles waaraan een te grote en uitsluitende eer bewezen wordt. “Het goud is zijn afgod.” “Zij maakt haar huis tot een afgod.” “Het is eigen aan de tirannen om te verlangen dat zij als afgoden vereerd worden.”

Een afgodsbeeld is de beeltenis van een afgod. De psalmist vergelijkt in Ps. 115 de God van Israël met de afgoden:

Ps 115:2 Waarom zouden de heidenvolken zeggen: Waar is toch hun God? Ps 115:3 Onze God is immers in de hemel, Hij doet al wat Hem behaagt. Ps 115:4 Hun afgoden zijn zilver en goud, het werk van mensenhanden: Ps 115:5 zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet; Ps 115:6 zij hebben oren, maar horen niet; zij hebben een neus, maar ruiken niet; Ps 115:7 hun handen, die tasten niet; hun voeten, die gaan niet; er komt geen geluid uit hun keel. Ps 115:8 Laat wie ze maken hun gelijk worden, al wie op hen vertrouwt. (HSV)

Dat wat geen eigenlijk beeld heeft kan, ofschoon als afgod aangebeden, niet een afgodsbeeld genoemd worden.

De Israëlieten maakten zich, ondanks de grote daden van God bij de verlossing uit Egypte, een afgodsbeeld in de woestijn.

Hnd 7:41 En zij maakten een kalf in die dagen en brachten offerande aan de afgod en verheugden zich in de werken van hun handen. (TELOS)

Als afgoden vereerden Israëlieten onder meer de zon en de Koningin van de hemel (de maangodin).

Zon

De zon kan voorwerp van afgodendienst worden. 

Deut. 4:19 Dat gij ook uw ogen niet opheft naar den hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, des hemels ganse heir; en wordt aangedreven, dat gij u voor die buigt, en hen dient; dewelke de HEERE, uw God, aan alle volken onder den gansen hemel heeft uitgedeeld. (SV)

Job 31:26 Heb ik, bij het zien van de stralende zon en de prachtig voortschrijdende maan,
Job 31:27 mij ooit heimelijk laten verleiden om hen met handkussen te vereren?
Job 31:28 Zoiets zou een misdrijf zijn dat voor de rechter dient; dan zou ik God in de hemel hebben verloochend!
(WV95)

Eze 8:16 En Hij bracht mij tot het binnenste voorhof van het huis des HEEREN; en ziet, [aan] de deur van den tempel des HEEREN, tussen het voorhuis en tussen het altaar, waren omtrent vijf en twintig mannen; hun achterste [leden] waren naar den tempel des HEEREN, en hun aangezichten naar het oosten, en deze bogen zich neder naar het oosten voor de zon. (SV)

Een van de afgodische gruwelen die God in dit hoofdstuk van Ezechiel toont is de aanbidding van de zon.

De bewoording van Gen 1:14-16 lijkt afgoderij met het heir des hemels te willen voorkomen.

In onze tijd aanbidden de aanhangers van Wicca zon en maan.

Demonen

Achter de afgoden schuilen demonen.

1Co 10:19 Wat wil ik hiermee dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is of dat een afgod iets is? 1Co 10:20 Nee, maar dat wat de volken offeren, zij dat aan de demonen offeren en niet aan God; en ik wil niet, dat u gemeenschap hebt met de demonen. 1Co 10:21 U kunt niet de drinkbeker van de Heer drinken en de drinkbeker van de demonen; u kunt niet deelnemen aan de tafel van de Heer en aan de tafel van de demonen. (TELOS)

Bekering

Wij mensen moeten ons van de afgoden bekeren om de levende en waarachtige God te dienen. Paulus schreef aan de Thessalonicenzen:

1Th 1:8 Want van u uit heeft het woord van de Heer weerklonken, niet alleen in Macedonie en in Achaje, maar in elke plaats is uw geloof jegens God uitgegaan, zodat wij daarvan niets hoeven te zeggen;
1Th 1:9 want zelf vertellen zij van ons welke ingang wij bij u hadden, en hoe u zich van de afgoden tot God hebt bekeerd om de levende en waarachtige God te dienen 
(TELOS)

Eenmaal een kind van God geworden, moet een mens zich wachten voor de afgoden. De apostel Johannes schreef: 

1Jo 5:21 Kinderen, wacht u voor de afgoden. (TELOS)

Afgodenoffer

Een afgod of afgodenoffer is niets. Achter de a

1Co 10:19 Wat wil ik hiermee dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is of dat een afgod iets is? 1Co 10:20 Nee, maar dat wat de volken offeren, zij dat aan de demonen offeren en niet aan God; en ik wil niet, dat u gemeenschap hebt met de demonen. (TELOS)

De gelovige heeft zich te wachten "voor wat aan de afgoden is geofferd".

Hnd 21:25 Wat echter de gelovige volken betreft, wij hebben hun aangeschreven, na besloten te hebben dat zij niets dergelijks moesten onderhouden dan dat zij zich moesten wachten voor wat aan de afgoden is geofferd, voor het bloed, voor het verstikte en voor de hoererij. (TELOS)

Hij moet niet deelnemen aan afgodische offermaaltijden.

1Co 10:18 Kijkt u naar Israel naar het vlees. Hebben niet zij die offers eten, gemeenschap met het altaar? 1Co 10:19 Wat wil ik hiermee dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is of dat een afgod iets is? 1Co 10:20 Nee, maar dat wat de volken offeren, zij dat aan de demonen offeren en niet aan God; en ik wil niet, dat u gemeenschap hebt met de demonen. 1Co 10:21 U kunt niet de drinkbeker van de Heer drinken en de drinkbeker van de demonen; u kunt niet deelnemen aan de tafel van de Heer en aan de tafel van de demonen. 1Co 10:22 Of willen wij de Heer tot jaloersheid verwekken? Zijn wij soms sterker dan Hij? (TELOS)

Als een gelovige bij iemand tot een maaltijd wordt genodigd en hij verneemt dat iets van het voedsel aan de afgoden is geofferd, moet hij het niet eten om geen struikelblok voor een ander te zijn.

1Co 10:23 Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig; alles is geoorloofd, maar niet alles bouwt op. 1Co 10:24 Laat niemand het zijne zoeken, maar dat van de ander. 1Co 10:25 Eet alles wat op de vleesmarkt wordt verkocht, zonder te onderzoeken om het geweten. 1Co 10:26 Want ‘de aarde en de volheid is van de Heer’. 1Co 10:27 Als iemand van de ongelovigen u uitnodigt en u wilt er heengaan, eet dan alles wat u wordt voorgezet, zonder te onderzoeken om het geweten. 1Co 10:28 Maar als iemand tot u zegt: Dit is godenoffer, eet het dan niet ter wille van hem die u dat te kennen geeft en van het geweten. 1Co 10:29 Ik bedoel echter niet uw eigen geweten, maar dat van de ander; (...) 1Co 10:32 Weest geen struikelblok voor Joden en voor Grieken en voor de gemeente van God; 1Co 10:33 evenals ook ik in alles allen behaag, niet om mijn eigen voordeel te zoeken, maar dat van de velen, opdat zij behouden worden. (TELOS)