Afgoderij

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Afgoderij, of het vrezen, neerbuigen voor en het dienen van afgoden, is een groot kwaad in de ogen van God.

Aanbidding van de zon in Egypte

Wat is afgoderij? Iemand of iets in plaats van of naast God vertrouwen, vrezen of liefhebben. Al bestaan er in wezen geen andere goden, die net als God werkelijk God zijn, toch zijn er vele goden (duivelse machten die als God geëerd [willen] worden). Afgoderij is dan ook: buiten God om ons toevlucht nemen tot en ons vertrouwen stellen in instanties of mensen, zoals koning Asa deed (zie 2 Kronieken 16 vers 12). Wanneer wij iemand of iets belangrijker achten dan God en Zijn dienst plegen we al afgoderij (zie Handelingen 4 vers 19 en 5 vers 29). Daarom kon Jezus zeggen: wie vader of moeder (enz.) lief heeft meer dan Mij, past niet bij Mij...

Gevallen. In de Bijbel worden vele gevallen van afgoderij vermeld. Afgoderij was als het ware een geestelijke volksziekte in Israël, die telkens weer de kop opstak. Voorbeeld:

Ri 10:6 Maar de Israëlieten deden opnieuw wat slecht was in de ogen van de HEERE, en dienden de Baäls en de Astartes en de goden van Syrië, de goden van Sidon, de goden van Moab, de goden van de Ammonieten en de goden van de Filistijnen. Zij verlieten de HEERE en dienden Hem niet. (HSV)

De profeet Jesaja (2e helft van de 8e eeuw v.C.) nam afgoderij in Juda waar:

Jes 2:8  Hun land is vol afgoden; voor het werk van hun handen buigen zij zich neer, voor wat hun vingers gemaakt hebben. Jes 2:9  Zo bukt zich de gewone man en vernedert zich de man van aanzien. ... (HSV)

Koning Achaz van Juda pleegde ook afgoderij. Van hem wordt een motief genoemd: hulp van de goden door hun te offeren verkrijgen. Hij maakte zelfs altaren op alle hoeken in Jeruzalem.

2Kr 28:23 Hij offerde aan de goden van Damascus, die hem verslagen hadden, en zei: Omdat de goden van de koningen van Syrië hen helpen, zal ik hun offeren, zodat ze ook mij zullen helpen. Ze werden echter hem en heel Israël tot een struikelblok. 2Kr 28:24 Achaz verzamelde de voorwerpen van het huis van God, hakte de voorwerpen van het huis van God in stukken en sloot de deuren van het huis van de HEERE. Verder maakte hij voor zichzelf altaren op elke hoek in Jeruzalem. 2Kr 28:25 In elke stad in Juda maakte hij offerhoogten om aan andere goden reukoffers te brengen. Zo verwekte hij de HEERE, de God van zijn vaderen, tot toorn. (HSV)

Verval tot afgoderij. Hoe komt men tot afgoderij? Het begint met verleiding van het hart. Vervolgens wendt het hart zich af van God en wendt zich tot de afgoden. Men kan zelfs gedreven worden om de afgoden te dienen. 

De 11:16 Wacht uzelven, dat ulieder hart niet verleid worde, dat gij afwijkt, en andere goden dient, en u voor die buigt;
De 11:17 Dat de toorn des HEEREN tegen ulieden ontsteke, en Hij den hemel toesluite, dat er geen regen zij, en het aardrijk zijn gewas niet geve; en gij haastelijk omkomt van het goede land, dat u de HEERE geeft.
(SV)


De 30:16 Want ik gebiede u heden, den HEERE, uw God, lief te hebben, in Zijn wegen te wandelen, en te houden Zijn geboden, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, opdat gij levet en vermenigvuldiget, en de HEERE, uw God, u zegene in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven.
De 30:17 Maar indien uw hart zich zal afwenden, en gij niet horen zult, en gij gedreven zult worden, dat gij u voor andere goden buigt, en dezelve dient;
De 30:18 Zo verkondig ik ulieden heden, dat gij voorzeker zult omkomen; gij zult de dagen niet verlengen op het land, naar hetwelk gij over de Jordaan zijt heengaande, om daarin te komen, dat gij het erfelijk bezit.
(SV)

In Israël kwam ook het offeren van kinderen aan de god Molech voor.

Praktijk. Wat deden de Israëlieten als zij andere goden dienden? Wat er bij de Israëlietische afgoderij gebeurde, blijkt uit de volgende passages, die meedeelt waar de afgoden geplaatst werden en welke offers gebracht werden. 

2Kon 17:7 Want het was geschied, dat de kinderen Israëls gezondigd hadden tegen den HEERE, hun God, Die hen uit Egypteland opgebracht had, van onder de hand van Farao, den koning van Egypte; en hadden andere goden gevreesd; 2Kon 17:8 En hadden gewandeld in de inzettingen der heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israëls verdreven had, en der koningen van Israël, die ze gemaakt hadden. 2Kon 17:9 En de kinderen Israëls hadden de zaken, die niet recht zijn, tegen den HEERE, hun God, bemanteld; en hadden zich hoogten gebouwd in al hun steden, van den wachttoren af tot de vaste steden toe. 2Kon 17:10 En zij hadden zich staande beelden opgericht en bossen, op allen hogen heuvel en onder alle groen geboomte. 2Kon 17:11 En zij hadden daar gerookt op alle hoogten, gelijk de heidenen, die de HEERE van hun aangezichten weggevoerd had; en zij hadden kwade dingen gedaan, om den HEERE tot toorn te verwekken. 2Kon 17:12 En zij hadden de drekgoden gediend, waarvan de HEERE tot hen gezegd had: Gij zult deze zaak niet doen. 2Kon 17:13 Als nu de HEERE tegen Israël en tegen Juda, door den dienst van alle profeten, van alle zieners, betuigd had, zeggende: Bekeert u van uw boze wegen en houdt Mijn geboden, [en] Mijn inzettingen, naar al de wet, die Ik uw vaderen geboden heb, en die Ik tot u door de hand van Mijn knechten, de profeten, gezonden heb; 2Kon 17:14 Zo hoorden zij niet, maar zij verhardden hun nek, gelijk de nek hunner vaderen geweest was, die aan den HEERE, hun God, niet geloofd hadden. 2Kon 17:15 Daartoe verwierpen zij Zijn inzettingen, en Zijn verbond, dat Hij met hun vaderen gemaakt had, en Zijn getuigenissen, die Hij tegen hen betuigd had, en wandelden de ijdelheid na, dat zij ijdel werden, en achter de heidenen, die rondom hen waren, van dewelke de HEERE hun geboden had, dat zij niet zouden doen gelijk die. 2Kon 17:16 Ja, zij verlieten al de geboden des HEEREN, huns Gods, en maakten zich gegoten beelden, twee kalveren; en maakten bossen, en bogen zich voor alle heir des hemels, en dienden Baäl. 2Kon 17:17 Ook deden zij hun zonen en hun dochteren door het vuur gaan, en gebruikten waarzeggerijen, en gaven op vogelgeschrei acht, en verkochten zich, om te doen dat kwaad was in de ogen des HEEREN, om Hem tot toorn te verwekken. 2Kon 17:18 Daarom vertoornde zich de HEERE zeer over Israël, dat Hij hen wegdeed van Zijn aangezicht; er bleef niets over, behalve de stam van Juda alleen. (SV)

Eze 20:28 Als Ik hen in het land gebracht had, over hetwelk Ik Mijn hand opgeheven had, om hetzelve hun te geven, zo zagen zij naar allen hogen heuvel en alle dicht geboomte, en offerden daar hun offeren, en zij gaven daar hun tergende offeranden, en daar zetten zij hun liefelijken reuk, en daar offerden zij hun drankofferen. (SV)

De plaats waar de afgoden gesteld werden was hoger gelegen. Men sprak van 'hoogte' (Ezech. 20:29).

Eze 20:29 Daarop zei Ik tegen hen: Wat is dat voor hoogte waar u [telkens] naartoe gaat? Tot op deze dag draagt die dan [ook] de naam Hoogte. (HSV)

Gevolgen. Voor Gods volk heeft afgoderij zeer kwade gevolgen. In het oude Israel kwamen afgodendienaars om het leven. Vreselijk zijn de oorlogen en ballingschappen van Israel, waardoor velen stierven of uit hun land werden weggevoerd. Bij het tegenwoordige geestelijke volk van God (de gemeente) kunnen afgodendienaars geestelijk omkomen: het praktisch genot van hun erfdeel verliezen.