Afvallen, afval

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Afvallen, afval heeft in de Bijbel betrekking op

  1. in letterlijke zin, het afvallen van de bloem,
  2. in figuurlijke zin, het ontrouw worden van mensen aan hun aardse gebieders,
  3. in geestelijke zin, afvalligheid of geloofsafval (apostasie)

Letterlijke zin

Van afvallen in letterlijke zin is sprake in: "Het gras verdort, de bloem valt af" (Jes 40 : 7). Insgelijks: "Het gras is verdord, en zijn bloem is afgevallen" (1 Petr. 1 : 21). Met dit afvallen wordt de vergankelijkheid van het schepsel ge­tekend.

Figuurlijke zin

In figuurlijke zin wordt 'afvallen' in de Schrift gebezigd van mensen, die afvallen van degenen die over hen gesteld zijn. Zo zijn er volken afgevallen van hun wettige gebieders. De Edomieten en Juda (2 Kon. 8: 22; 2 Kron. 21: 8, 9). Het huis van Israël van het huis van David (1 Kon. 12: 19). Enige konin­gen vielen af van de koning Kedor Laomer (Gen. 14:4). Zedekia viel af van Nebukadnezar (Jer. 52:3). 

De af­val van een wettige vorst wordt in de Heilige Schrift afgekeurd (Rom. 13:2, 7). Daarentegen wordt het aan de vorsten toegestaan, dat zij zich weer van de heerschappij verzekeren (1 Sam. 13, 14).

Wanneer het echter zo staat, dat een volk gesteld wordt voor de keuze: wie zullen wij meer gehoorzaam zijn, God of de mensen, dan moet de gehoorzaamheid aan God voorgaan.

Geestelijke zin

'Afval' in de geestelijke zin van afvalligheid, geloofsafval of apostasie (Engels apostasy, Frans apostasie, Duits Abfall, Grieks apostasia) is het ontrouw worden aan God en het geloof in Hem en aan Zijn Woord opgeven. Afval in geestelijke zin kan ook betrekking hebben op het ontrouw worden aan een grote voorganger of diens leer, bijv. aan Mozes.

Afval van God wordt in het Oude Testament dikwijls genoemd. Israël stond in een verbondsbetrekking tot Jahweh, en, wanneer het volk de dienst van de Heer begon te verachten en zich wendde tot andere goden werd dit voor een afval gerekend (Jes. 1:2).

Job bracht brandoffers met het oog op mogelijke afval van zijn kinderen:

Job 1:5  Het gebeurde dan, als de dagen van de maaltijden voorbij waren, dat Job hen bij zich riep en hen heiligde. Hij stond ‘s morgens vroeg op en bracht brandoffers, voor ieder van hen één, want Job zei: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd en God in hun hart vaarwel gezegd. Zo deed Job alle dagen. (HSV)

De Nieuwe Bijbelvertaling (2004) heeft "en God in hun hart vervloekt".

In het Nieuwe Testament wordt ook dikwijls van afval gesproken. Wanneer iemand aan de waarheid de rug toekeert en met bewustzijn, met zijn wil, de zonde kiest, dan wordt die zelfbewuste daad een afval genoemd. "Willens zondigen" (Hebr. 10:26). In Hebr. 6:4,6 wordt zelfs gesproken van hen, die niet weer tot bekering gebracht kunnen worden. Het is de vraag, of hier van 'tijdgelovigen' sprake is dan wel van zulken, die de zonde tegen de Heilige Geest begingen. Sommigen menen dat hier van een onvergeeflijke zonde gewag gemaakt wordt, en nemen daarom aan dat hier de laatste zonde bedoeld wordt. In elk geval leert de Heilige Schrift geen afval van heiligen, want de genade­giften en de roeping Gods zijn onberouwelijk (Rom. 11:29).

In het Nieuwe Testament wordt ons gezegd, dat de afval in het begin tweeërlei vorm aan­nam,

  1. een terugkeer van de gezonde leer der waarheid tot het Jodendom (Gal. 4 : 9) of tot het Heidendom (1 Cor. 10: 7, 14),
  2. een terug­keer van de dienst van God tot de dienst der zonde (2 Tim. 4:10; 1 Joh. 2:15).

Bovenal wordt ons in het Nieuwe Testament geleerd, dat in het laatste der dagen een grote afval zal komen. In de verleiding en/of verdrukking waaraan men blootgesteld wordt, zullen velen zich afwenden van het geloof (1 Tim. 4:1,2).

Hoewel de algemene afval waarvan 2 Thess. 2:3 vers spreekt niet kan komen voordat de heiligen zijn weggenomen naar de hemel, kunnen er intussen wel individuele gevallen van afval voorkomen. Zie bijvoorbeeld Heb 3:12; 10:26,28 en de brief van Judas 1-25.

Er zijn ernstige waarschuwingen die te kennen geven dat een dergelijke geloofsafval meer en meer algemeen zal worden wanneer het einde van de huidige bedeling nadert (zie 1Tim. 4:1-3).

Nu onderstelt afval een standplaats waarvan men kan afvallen, een gedane geloofsbelijdenis die opzettelijk is opgegeven. Dit is, zoals de Schrift zegt, net als de hond die terugkeert naar zijn braaksel, en de zeug die haar wenteling in het slijk herneemt.

Afval is niet hetzelfde als wanneer een gelovige in een of andere zonde valt, waaruit genade hem kan herstellen hem, maar een duidelijke afstand doen van het christendom. De Schrift geeft geen hoop in een geval van opzettelijke afvalligheid, maar niets is te moeilijk voor de Heer.

Griekse woorden

Aphistemi

1Ti 4:1  De Geest nu zegt uitdrukkelijk, dat in de latere tijden sommigen van het geloof zullen afvallen, terwijl zij zich zullen bezighouden met verleidende geesten en leringen van demonen (Telos)

Het Griekse werkwoord is αφιστημι, aphistemi, van apo, dat op scheiding duidt, en histemi = staan, doen staan, plaatsen. Het Strongnummer is 868. Het wordt 15x gebruikt. In drie gevallen wordt het gebruikt voor een leerstellig verwijderen. In de overige gevallen wordt het werkwoord gebruikt voor een fysiek weggaan.

In de overgankelijke zin betekent het werkwoord: afzonderlijk, ernaast, opzij plaatsen, verwijderen, en vandaar overdrachtelijk: afvallig maken (Gr. απο τινος), Hand. 5:37.

In de onovergankelijke betekenis: zich van iets of iemand afplaatsen, dit is a) zich verwijderen, weggaan (Hand. 15:38); verlaten (Luc. 4:13; 13:27; Hand. 12:10; 19:9; 2 Cor. 12:8; Luc 2:37; 1Ti 6:5); b) overdrachtelijk: aflaten, afhouden van iemand, dit is de hand van hem terughouden, hem niets (of niets verder) doen (Hand. 5:38; 22:29); van iets, dit is er zich van onthouden, er afstand van doen (2 Tim 2:19 "zich onttrekken"; Heb 3:12 "afvallen van de levende God"; Luc 8:13 "in een tijd van verzoeking vallen zij af"; 1 Tim 4:1 "van het geloof afvallen").

2Co 12:7  En opdat ik mij door het allesovertreffende [karakter] van de openbaringen niet zou verheffen, is mij een doorn in het vlees gegeven, een engel van de satan, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet zou verheffen. 2Co 12:8  Hierover heb ik de Heere driemaal gesmeekt dat hij van mij weg zou gaan. (HSV)

Lu 2:37  En zij was een weduwe van ongeveer vierentachtig jaar, die de tempel niet verliet en met vasten en bidden [God]nacht en dag diende. (HSV)

Lu 4:13  En toen de duivel alle verzoeking beëindigd had, verliet hij Hem tot een bepaalde tijd. (HSV)

Apostasia

Van het werkwoord aphistemi (αφιστημι) komt het woord zelfstandig naamwoord apostasia (αποστασια), Dit betekent afval, van iemand (Hand. Ac 21:21) of in absolute zin: afval, bijvoorbeeld van het geloof, een afval die in latere tijden zal plaats hebben (2 Thess. 2:3; vergelijk 1 Tim 4:1). Het bekende Vine's Expositary Dictionary of New Testament Words geeft deze betekenis: 'Afvalligheid, opstand, afval' en zegt dat het woord in het Nieuwe Testament gebruikt wordt van godsdienstige afval[1]. In papyrus-documenten wordt het woord in een politieke context gebruikt van opstandelingen[1].

Het woord komt in het Nieuwe Testament twee maal voor: Hand 21:21, 2 Thess. 2:3.

Aan de apostel Paulus werd te Jeruzalem verteld dat hij ervan werd beschuldigd om de Joden in de verstrooiing te leren van Mozes af te vallen.

Hnd 21:21 En men heeft hun over u verteld dat u alle Joden die onder de volken zijn, afval van Mozes leert door te zeggen dat zij hun kinderen niet moeten besnijden en niet naar de gebruiken wandelen. (TELOS)''

Andere vertalingen hebben: “van Mozes afvallen” (SV), “afvallig te worden van Mozes (HSV), “afval van Mozes”(NBG51), “afvalligheid van Mozes” (NB), “ontrouw aan Mozes (NBV2004).

Paulus leerde vrijheid van de wet door de dood van de Christus, wat een strenge jood als afvalligheid opvatte.

Het Griekse woord ‘apostasia’ wordt voor de tweede en laatste keer in het Nieuwe Testament gebruikt in 2 Thess. 2:3, waar geleerd wordt dat de dag van de Heer niet kan komen vóór ‘de afval', d.i. is het afvallen van de christenheid in verband met de openbaring van de mens der zonde, die Antichrist.

2Th 2:3 Laat niemand u op enigerlei wijze bedriegen, want die komt niet als niet eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf, (TELOS)''

Andere vertalingen hebben: “de afval” (SV, HSV, NBG51), “de afvalligheid” (NB), “velen zich van het geloof hebben afgekeerd” (NBV2004). De Engelse King James vertaling heeft "the falling away". Volgens Vine's Expositary Dictionary of New Testament Words betekent apostasia hier: afval van het geloof[1].

Zes oudere Engelse vertalingen vertalen door 'departure' of iets dergelijks[2]; zo heeft de Geneefse Bijbel "a departing". Sommigen zijn van mening dat het Griekse woord 'apostasia’ in 2 Thess. 2:3 beter als 'vertrek' (= weggaan van de gemeente van Jezus Christus naar de hemel) vertaald kan worden. De opvatting dat 'apostasia' hier op een fysiek vertrek duidt, is een minderheidsstandpunt. Zie over deze kwestie en gronden van het minderheidsstandpunt het commentaar op 2 Thess. 2:3

Bronnen

A New and Concise Bible Dictionary s.v. Apostasy. George Morris, 1899. Hieruit is voor de eerste versie van dit artikel vertaalde tekst opgenomen.

Christelijke Encyclopaedie voor het Nederlandsche Volk s.v. Afval, afvallen. Kampen: Kok, 1925-1931. Tekst hiervan is verwerkt.

D. Harting, Grieks Woordenboek op het Nieuwe Testament (1861-1863). Opgenomen als Grieks-Nederlands handwoordenboek op het Nieuwe Testament in Online Bible (uitgeverij Importantia). S.v. Aphistemi. Tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 5 mei 2020.

Voetnoot

  1. 1,0 1,1 1,2 Vine's Expositary Dictionary of New Testament Words, s.v. Fall, Fallen, Falling, Fell.
  2. Aldus Bob Ulrich, in: Ask Gary: The Rapture and the Restrainer, Youtube.com: Prophecy Watchers, 10 april 2020, vanaf 14 min 10 sec.