Aloë

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Aloë (Hebr. Ahalim; Lat. Aquilaria agallocha; Eng. Aloe), ook adelaarshout genoemd, is een geurige houtsoort. Het is een zoetgeurende specerij. Nicodemus, een leraar van Israël, bracht Aloë mee voor de doeken waarin de gestorven Heiland werd gehuld.

Afbeelding: Aloë of adelaarshout (Aquilaria agallocha)

De aloë is een sterke boom met bruin en zwart gevlekt, zeer aangenaam riekend hout, het meest gewaardeerde reukwerk bij alle Oosterse volken.

Van Zuid-Vietnam, waar deze boom op de bergen groeit, kwam het hout door de handel ook naar Israël. Het werd hoog gewaardeerd.

Het Hebreeuwse woord in het Oude Testament is ahalim of ahalo en komt daar 4x voor. Op één plaats vertaalt de Statenvertaling door 'sandelbomen' (Num. 24:6).  

De tentwoningen van Israël worden in de zegenspreuk van Bileam vergeleken met aloë's door Jhwh geplant. 

Nu 24:6 Als beekdalen strekken ze zich uit, als tuinen aan een rivier; de HEERE plantte [ze] als aloë’s, als ceders aan het water. (HSV)

Van de messiaanse koning wordt gezegd:

Ps 45:8 (45:9) Al Uw kleding geurt van mirre en aloë [en] kaneel, [wanneer U] uit de ivoren paleizen [komt], waar men U verblijdt. (HSV)

De overspelige vrouw in Spreuken 7 heeft haar bed met aloë welriekend gemaakt

Spr 7:17 Mijn slaapplaats heb ik besprenkeld met mirre, aloë en kaneel. (HSV)

Salomo moet die boom ook in zijn lusttuinen gehad hebben. Van de bruid wordt in het Hooglied gezegd:

Hoo 4:13 Uw scheuten zijn een paradijs van granaatappelen, met edele vruchten, cyprus met nardus; Hoo 4:14 Nardus en saffraan, kalmus en kaneel, met allerlei bomen van wierook, mirre en aloë, mitsgaders alle voornaamste specerijen. (SV)

De Joden deden Aloë op de doeken waarin de overledene vóór zijn begrafenis gehuld werd. Aloë werd gebruikt bij de begrafenis van Jezus (Joh. 19: 39).

Joh 19:38 Hierna nu vroeg Jozef van Arimathea, die een discipel van Jezus was, maar in het geheim uit vrees voor de Joden, aan Pilatus het lichaam van Jezus te mogen wegnemen; en Pilatus stond het toe. Hij kwam dan en nam zijn lichaam weg. Joh 19:39 En ook Nicodemus, die eerst ‘s nachts tot Hem was gekomen, kwam met een mengsel van mirre en aloë, ongeveer honderd pond. Joh 19:40 Zij namen dan het lichaam van Jezus en bonden het in linnen doeken met de specerijen, zoals de Joden de gewoonte van begraven hebben. (TELOS)

Deze aloë moet men niet verwarren met een andere, gelijknamige plant, die uit Afrika afstammend in onze broeikassen tot sieraad strekt, dikke vlezige bladeren heeft en een soort van gom bevat, die als geneesmiddel wordt gebruikt.

Bron

Christelijke Encyclopaedie voor het Nederlandsche Volk (Kampen: Kok, 1925-1931). Hieruit is op 13 juli 2012 tekst opgenomen en verwerkt.