Ambrosius van Milaan

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Ambrosius van Milaan (340-397) was bisschop van de christengemeente in de Italiaanse stad Milaan. Hij ijverde voor de eenheid, zuiverheid en macht van de kerk en voor de eenheid van het geloof. Hij bestreed het Arianisme. In de Westerse kerk heeft hij een grote invloed gehad.

Ambrosius afgebeeld in een mozaïek in de Sint-Ambrosius kerk in Milaan; mogelijk nog tijdens zijn leven ontstaan.

Zijn leven

Ambrosius was afkomstig uit een Romeinse familie, die te Trier woonde. Hij werd geboren in 340. Zijn opvoeding ontving hij in Rome. Hij werd later stadhouder van Ligurië en Amilië en had tot verblijfplaats Milaan.

In 374 werd hij tegen zijn wil, nadat de Ariaanse bisschop Auxentius gestorven was, tot bisschop gekozen. Hij was toen nog maar catechumeen en dus nog niet gedoopt. Toen hij zich de keuze van het volks had laten welgevallen, werd hij gedoopt en 8 dagen later werd hij bisschop van Milaan.

Hij behoorde tot de Westerse school en was in het Westen de meest betekenende kerkleraar. Op menig terrein heeft hij uitgeblonken en, al had hij niet de diepgaande kennis van Augustinus, al was hij geen oorspronkelijk theoloog, hij heeft nochtans grote verdiensten gehad. Hij stierf in 397.

Zijn werk

Kerk. Ten eerste ligt zijn verdienste in zijn rusteloos ijveren voor de eenheid, de zuiverheid en de macht van de kerk. Hij kon daarom zijn autoriteit zo laten gelden, omdat Milaan destijds de residentie van de keizer was en de zonen van Valentinus I (gestorven 375), Gratianus (gestorven 383) en Valentinus II (gestorven 392) geheel en al onder zijn invloed stonden.

Dat kwam al aanstonds in hun handelingen tegenover het wegstervend Heidendom uit. In 382 werden aan de Heidense priesters de staatsinkomsten en schenkingen ontnomen en tevens werd bevolen, dat het altaar van Victoria uit de Curie van de Romeinse Senaat zou weggenomen worden. Tevergeefs trachtten de Heidenen de keizer Gratianus voor zich te winnen. Deze wees ook de hem aangeboden titel van Pontifex Maximus af.

Bij een tweede verzoek van de Senaat door een geschrift van de beroemde Heidense redenaar Symmachus schreef Ambrosius aan de keizer: „De eenheid Gods en van het Romeinse rijk vordert ook eenheid in de dienst van God; de kerk is de vooruitgang van de wereldgeschiedenis van de duisternis tot het licht. Het is nodig in geloofszaken de bisschoppen te horen, maar dan moet de Staat ook naar die uitspraken luisteren." Een derde verzoek van de Senaat aan de toenmalige keizer Theodosius (388) werd wederom door de tussenkomst van Ambrosius afgewezen

Ambrosius was dus een ijverig en onvermoeid strijder voor de eenheid, zuiverheid en macht van de kerk, maar hij wilde van geen geweld weten. Dat in Trier in het jaar 385 Priscillianus met zes van zijn aanhangers door Maximus wegens ketterij ter dood veroordeeld werden keurde hij zeer af. In die zaak trok hij één lijn met Martinus van Tours.

Leerstrijd. Voor de eenheid van het geloof streed hij tegen de Arianen (vijf boeken „over het geloof', aan Gratianus opgedragen). Tegen de Macedoniërs schreef hij drie boeken „over den Heiligen Geest", tegen de Novatianen twee boeken „over de boete".

Tot het jaar 388 streed hij tegen de Arianen (o.a. op de Synode van Aquileja in 381). Keizerin Justina, die het Arianisme aanhing, trachtte onder haar stiefzoon Gratianus reeds een kerk van Ambrosius te verkrijgen voor de Arianen, doch tevergeefs. Onder de regering van haar zoon Valentinianus II herhaalde zij haar pogingen. Zelfs de keizer ondersteunde nu het verzoek, maar Ambrosius week niet, hoewel hij door het keizerlijke hof bedreigd werd en men zelfs een tegenbisschop Auxentius aanstelde. „De kerk", zo sprak hij uit, „behoort aan de Heer en niet aan de wereldlijke macht". Het hof moest toegeven, daar Ambrosius het volk, dat geheel en al door hem geïnspireerd werd, voor zich had weten te winnen. Hij had niet alleen door zijn ijver en onomkoopbaarheid de harten weten te winnen, maar hij maakte zich ook zeer bemind door zijn liefde voor de eredienst.

Tegenover Theodosius. Ook tegenover Theodosius, sinds 394 alleenheerser, trad hij zonder schromen op. Wel bestreed deze keizer beide het Heidendom en het Arianisme, maar toen hij in 389 aan de Christenen in Kalinikum (Mesopotamië) bevolen had de door hen verwoeste synagoge van de Joden weer op te bouwen, trad Ambrosius tussenbeide en wist de keizer van zijn voornemen af te brengen. Zijn houding tegenover Theodosius werd nog meer gespannen, toen deze in 390, ondanks een aan Ambrosius gedane belofte, vele Thessalonicenzen liet ombrengen, omdat er een profeet gedood was.

Ambrosius hield de keizer in een brief diens verkeerde daad voor. Hij maakte de keizer bekend, dat hij hem niet tot het avondmaal kon toelaten en de keizer onderwierp zich aan de voorgeschreven kerkelijke boete.

Klooster. Ambrosius heeft voor de kerk zeer veel heil gezien in de bloei van het kloosterleven. Hij stichtte in de omgeving van Milaan zelf een klooster.

Verering. Ook is Ambrosius een lofredenaar geweest op de heiligen- en de relikwieënverering. Hij beval de voorbede der engelen en martelaren aan en hij heeft niet weinig bijgedragen tot de verheffing van Maria als de heilige jonkvrouw.

Eredienst. Voor de eredienst heeft Ambrosius veel gedaan. Allereerst heeft hij een eigen liturgie vervaardigd, die zelfs teruggevoerd wordt tot op Barnabas. Daarenboven heeft hij veel gedaan voor het kerkgezang. De gewoonte, in het Oosten heersend, om het kerkelijk gezang onder twee koren te verdelen, werd door Ambrosius ook in het Westen gevolgd. Daardoor ontstond het Ambrosiaanse gezang, een zeer melodieuze zangwijze, waarbij de gemeente zelf antwoorden kon op het gezang van het koor. Gregorius de Grote heeft later in de kerk de zogenaamde cantus firmus ingevoerd, die eentonig was. Hij deed dat, omdat hij het Ambrosiaanse gezang te werelds vond. Ambrosius had voor zijn kerkgezang ook zelf hymnen vervaardigd, die een anti-Ariaanse strekking hadden, en, hoewel er vele hymnen op zijn naam staan, waarvan de afkomst hoogst onzeker is, zijn er toch ook hymnen, welke beslist aan hem moeten worden toegekend, en juist de echte hymnen van Ambrosius (4 in getal met 8 vierdelige strofen) munten uit door krachtige taal en innige geloofsovertuiging.

Prediker. Ambrosius heeft zich ook zeer verdienstelijk gemaakt als prediker. Dat hij indrukwekkend het Evangelie verkondigde, blijkt wel uit de invloed, welke zijn prediking gehad heeft op Augustinus, die zó erdoor aangegrepen werd dat hij tot een geheel andere levens- en wereldbeschouwing kwam. Wel lijden Ambrosius' prekennis soms aan breedsprakigheid en is hij een vriend van allegoriseren, maar er spreekt uit al zijn preken een hartelijke begeerte, om zich aan te sluiten bij de behoeften der gemeente, een medeleven, een contact zoeken met haar en Ambrosius deed dat met bijzondere redenaarsgaven. De vorm was schoon en de bewijsvoering overtuigend.

Dogmaticus. Als dogmaticus heeft Ambrosius niet een eerste plaats bekleed. Oorspronkelijk was hij niet. Hij sloot zich aan bij Origenes en voornamelijk bij zijn vriend Basilius. Ambrosius is geen Augustinus geweest. Hij heeft gedachten ontleend aan de oud-Latijnse school maar ook aan de Griekse. Zo houdt hij enerzijds vast aan de wilsvrijheid (synergisme) maar anderzijds volgt hij Tertullianus en leert hij, dat de wil niet meer vrij is. Enerzijds leert hij de erfschuld (hij zegt, dat wij in Adam gevallen zijn, maar ook in Christus gerechtvaardigd), maar anderzijds leert hij weer, dat wij alleen om onze eigen zonden gestraft worden. Zo wordt de gewenste eenheid in zijn dogmatiek gemist.

Christelijke zedeleer. Ambrosius schreef ook nog een Christelijke zedeleer (de officiis ministrorum). Dit boek was wel voornamelijk voor de geestelijken, maar bevat toch ook leringen voor de leken. Ook in dit boek vindt men dezelfde tweeslachtigheid als in zijn dogmatische geschriften. Enerzijds maakt hij de onderscheiding tussen consilia en praecepta, prijst hij de ongehuwde staat van de vromen aan, verdedigt hij het vasten en stelt hij een geheel systeem voor van boetedoeningen, maar anderzijds komt hij weer op voor de huwelijkse staat, veroordeelt hij de relikwieënverering en waarschuwt hij tegen een verheffing van de martelaren.

Ondanks deze onbeslistheid is Ambrosius, die door ijver en godsvrucht heeft uitgeblonken, en die nooit zichzelf, maar altijd het heil van de kerk zocht, een man geweest van zeer grote invloed in het Westen.

Bron

Christelijke Encyclopaedie voor het Nederlandsche Volk (Kampen: Kok, 1925-1931) s.v. Ambrosius. Hieruit is op 17 april 2017 tekst genomen en verwerkt.