Artos (Grieks)

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Artos (in het Grieks: αρτος) is in het Nieuwe Testament een Grieks zelfstandig naamwoord dat 'brood' of 'voedsel' betekent en ook figuurlijk wordt gebruikt. De Heer Jezus is in figuurlijke zin het Brood (artos) van het leven.

Het Strongnummer is 740. Het komt 99x voor in het Nieuwe Testament.

Het woord wordt gebezigd van[1]:

  1. een klein brood of een koek, bestaande uit meel en water, en gebakken in een langwerpige of ronde vorm, dik als een duim. Dit brood werd niet gesneden, maar gebroken.
  2. het brood van het avondmaal, bijvoorbeeld in Matt. 26:26 ("Jezus nam een brood"), Mark. 14:22, Luk. 22:19, Joh. 13:18. Het "breken van het brood" is de viering van het avondmaal, Handelingen 2:42; 20: 7; 1 Cor. 10:16; 11:23;
  3. brood van welke aard ook, Matt. 16:11;
  4. zinnebeeldig, van Christus als het Brood van God en van het leven, Johannes 6: 33, 35, 48-51;
  5. voedsel in het algemeen, wat nodig is om te leven, Matt. 6:11; 2 Cor. 9:10, enz. Het manna in de woestijn wordt 'artos' genoemd in Joh. 6:31.

Het tweede woord in het Griekse Nieuwe Testament is azymos. Dit duidt alleen op ongedesemd brood. Het betekent letterlijk 'ongedesemd'. Bijbelvertalers voegen er het woord 'brood' bij. Het Feest van de Ongedesemde Broden is letterlijk 'Feest van het Ongedesemde'. De begripsomvang van 'Artos' is ruimer dan die van 'Azymos' en kan ongedesemd en gedesemd brood aanduiden[2].

'Artos' wordt gebruikt voor het (ongedesemde?) toonbrood[3] in de tabernakel, Matt. 12: 4, Hebr. 9:2. Toen het toonbrood weer werd ingevoerd door Nehemia (Neh. 10:32), werd tevens een heffing van 1/3 shekel ingevoerd, Matt. 17:24.

Heb 9:2 Want een tabernakel was ingericht, de eerste, waarin de kandelaar was en de tafel en de toonbroden; deze wordt het heilige genoemd. (TELOS)

De Heer Jezus stond op zondag uit de doden op. Dat was in de week van Ongedesemde Broden, wanneer de Joden alleen óngedesemd brood eten. "Op diezelfde dag" van de opstanding (Luc. 24:1, 13) waren twee discipelen op weg naar Emmaüs. Een vreemdeling raakt met hen in gesprek. Ze nodigen hem uit bij hen te blijven.

Lu 24:30 En het gebeurde, toen Hij met hen aanlag, dat Hij het brood nam en zegende en nadat Hij het gebroken had, gaf Hij het hun.
Lu 24:31 Hun ogen nu werden geopend en zij herkenden Hem; en Hij werd onzichtbaar voor hen.

(TELOS)

Hier wordt 'artos' gebruikt voor het brood dat ongedesemd was.

De Septuagint, de oude Griekse vertaling van het Oude Testament, gebruikt 'artos' voor de ongedesemde koeken in Lev. 2, voor de toonbroden (Ex. 25:30), voor de gave van de Nazireeër bestaande uit ongedesemde koeken (Num. 6:15).

De oude joodse schrijvers Flavius Josephus (37-100 n.C.) en Philo van Alexandrië (20 v.C.– 50 n.C.) gebruiken allebei 'artos' in hun beschrijving van de matzes (ongedesemde broden) van de Paschamaaltijd. Philo noemt het paschabrood 'artos'.

Hebr. 'Lechem'. Ook het Hebreeuwse woord 'lechem' heeft zo'n ruime betekenis als het Griekse 'artos'. In Deut. 16:3 wordt het ongedesemde brood 'lechem oni' = 'brood der ellende' genoemd. De Septuagint zegt in Deut. 16:3 dat het brood ('artos') ongedesemd ('azumos') was.

Voetnoot

  1. W.E. Vine, Expository Dictionary of New Testament Words (1940) s.v. Bread
  2. Kittel's Theological Dictionary of the New Testament zegt aangaande azumos: “P. Fiebig [een geleerde van het Grieks] ... shows that the term artos does not exclude azumos, but that in certain circumstances, e.g., in description of the Passover, it may mean this.”
  3. Of de toonbroden ongedesemd waren is onzeker. De Schrift geeft hierover geen uitsluitsel. Volgens de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus (1e eeuw n.C.) waren ze ongedesemd.