Azarja

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Azarja (Eng. Azariah) is een Hebreeuwse naam die betekent ‘Jah helpt’[1] of ‘Jah heeft geholpen’[2]Jah is de afkorting van Gods eigennaam Jahweh. Azarja is in de Heilige Schrift de naam van bijna dertig verschillende personen:

1. twee afstammelingen van Juda;

2. de zoon van Zadok, die onder Salomo opperambtenaar was;

3. de zoon van Nathan, die over de bestelmeesters geplaatst werd;

4. onderscheidene Aäronieten, priesters en Levieten;

5. de zoon van Oded, een profeet, tijdgenoot van Asa;

6. de zoon van Amazia, koning van Juda, elders Uzzia genoemd;

7. een hogepriester, ten tijde van Uzzia en Hizkia;

8. de zoon van Joram, koning van Juda, dezelfde als Ahazia;

9. een der zonen van Josafat;

10. de grootvader en een ander voorvader van Ezra;

11. een der drie volksgenoten en metgezellen van Daniël, die wegens hunne weigering om een afgodsbeeld te aanbidden, in een brandende oven geworpen, doch door God, in het midden van het vuur, op wonderbare wijze bewaard werden. Hij was waarschijnlijk van een aanzienlijke (koninklijke) familie en was door Nebukadnezar meegevoerd naar Babel. Zie Dan.1:6-19; 2:17.  De overste van de hofbeambten veranderde zijn naam in Abednego (Dan. 1: 7v). Volgens sommigen is de naam gelijk aan Abednebo en  betekent dan ‘dienaar van Nebo’[3] of ‘vereerder van Nebo’[4], een godheid van de Chaldeeën.

12. enige oversten;

13. een van de bouwers aan de muur te Jeruzalem.

Bron

P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling. Haarlem: De erven F. Bohn, 1866. Tekst van het lemma 'Azaria of Azarja' is op 10 sept. 2018 onder wijziging verwerkt.

Voetnoten

  1. Vergelijk Karl August Dächsel; F P L C van Lingen; H van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Dan. 1:6.
  2. Bromiley, Geoffrey  W.: The International Standard Bible Encyclopedia, Revised (Wm. B. Eerdmans, 1988, 2002) s.v. Azariah.
  3. Bromiley, Geoffrey  W.: The International Standard Bible Encyclopedia, Revised (Wm. B. Eerdmans, 1988, 2002) s.v. Abed-Nego.
  4. S.J. van Ronkel, Woordenboek der eigennamen, naar hunne eerste spelling en oorspronkelijke uitspraak met eene korte beschrijving de personen, landen en plaatsen, in het Oude Testament voorkomende, en voor het grootste gedeelte ook etymologisch behandeld. (Groningen: M. Smit, 1835) s.v. Abednego. Van Ronkel was destijds hoofdonderwijzer aan een Joodse school en beëdigd vertaler.