Bathseba

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Bathséba, ook geschreven Batseba of Bat-Sjéba of Bathsjeba, was de vrouw van Uria de Hethiet, een van Davids helden, en naderhand gemalin van koning David en moeder van Salomo. Met haar pleegde David overspel. Deze gebeurtenis bij het leven van Uria voorgevallen en de gevolgen daarvan (2 Sam. 11:2-27; 12:1-23) zijn voorzeker de droevigste en onaangenaamste van het privé leven van de koning. Zwaar moest hij dan ook hiervoor boeten (2 Sam. 12:11, vgl. 16:22).

De eigennaam Bathséba betekent 'dochter des eeds', van bath = dochter en het werkwoord saboa (in niphal) = zweren.[1] Zij wordt ook Bathsua (Bath-Sua), dochter van Sua genoemd. Haar vader echter heette Ammi-El (1 Kron. 3: 5), of Eli-Am (2 Sam. 11 : 3).

2Sa 11:3 David stuurde een bode en liet naar deze vrouw vragen; en men zei: Is dat niet Bathseba, de dochter van Eliam, de vrouw van Uria, de Hethiet? (HSV)

 
 
 
 
Achitofel
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Ammiël /
Eliam
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Uria
 
Bathseba
 
David
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
[?]
 
 
 
 
 
 
Salomo
 
 
 
 
 
 
Simea
 
 
 
 
 
 
Sobab
 
 
 
 
 
 
Nathan

Sommigen houden de vader van Bathseba als de krijger van David genoemd in 2 Sam. 23:34.

2Sa 23:34 Elifelet, de zoon van Ahasbai, de zoon van een Maächathiet; Eliam, de zoon van Achitofel, de Giloniet; (SV)

Deze laatste Eliam was een zoon van Achitofel, de raadsman van koning David. In dat geval was Bathseba een kleindochter van Achitofel.

Bathseba is bekend door haar overspel met David. De mooie vrouw van Uria gehoorzaamde de koning, toen hij haar tot zich liet roepen meer dan God, en zocht tevergeefs haar zonde met water af te wassen (2 Sam. 11: 2-5). Daarentegen viel ook haar met David de troost van de goddelijke barmhartigheid ten deel (2 Sam. 12 : 24), en zij is waardig gekeurd, onder de stamouders van de Heiland een plaats in te nemen (Matth 1: 6).

In het huwelijk met David baarde zij 5 zonen (1 Kron. 3:5). De naam van de eerste zoon is onbekend. Het kind stierf door het oordeel van God over de misdaad door David tegen Uria begaan. Haar tweede zoon Salomo schreef dat hij eens was:

Spr 4:3 ... teder en een enig kind voor het aangezicht van mijn moeder, (NBG51)

Nadat Salomo door God tot opvolger van de troon was gekozen (2 Sam. 12. 24), handhaafde zij volgens de aanwijzing van Nathan zijn aanspraak op die waardigheid tegen de pogingen van haar stiefzoon Adonias (1 Kon. 1: 11v). Later liet zij zich echter door Adonias' vleiende woorden overhalen en ondersteunde zijn verzoek om het bezit van Abisag bij Salomo. Deze moest haar, in weerwil van zijn kinderlijke hoogachting, deze bede weigeren (1 Kon. 2: 13v.).

Salomo zelf (vergelijk Lemuël) heeft voor zijn moeder een blijvend gedenkteken gesticht, doordat hij de merkwaardige woorden opschreef, die hij van haar lippen had gehoord (Spreuk. 31 : 1). Zij zijn zowel een getuigenis van haar oprechte bekering als van haar tederheid, wanneer Bathséba die zoon - het onderpand van de ontvangen genade - aankleefde (vgl. 4: 3). Spreuken 31 getuigt ook van de wijsheid, waarmee zij zijn opvoeding bestuurde en van de hartelijke zorg, waarmee zij hem voor de verzoekingen van zijn hoge standplaats waarschuwde, vooral voor de vrouwen, die een wijs man zijn verstand en zedelijke kracht ontnemen (31 : 3), en voor de wijn, die hem tot overmoed en ongerechtigheid verleidt (31: 4-7). Zij vermaant hem tot gerechtigheid en barmhartigheid (31:v. 8v) en stelt hem het bezit van een vrome vrouw als het beste middel voor ogen om zich voor de veelwijverij te bewaren (verzen 10-31).

Bron

S.J. van Ronkel, Woordenboek der eigennamen, naar hunne eerste spelling en oorspronkelijke uitspraak met eene korte beschrijving de personen, landen en plaatsen, in het Oude Testament voorkomende, en voor het grootste gedeelte ook etymologisch behandeld. (Groningen: M. Smit, 1835) s.v. Bath-Seba. Hieruit is op 5 mei 2016 tekst genomen en verwerkt.

H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Eerste deel A - J. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1867) s.v. Bathseba. Hieruit is op 5 mei 2016 tekst genomen en verwerkt.

Voetnoot

  1. S.J. van Ronkel, Woordenboek der eigennamen, naar hunne eerste spelling en oorspronkelijke uitspraak met eene korte beschrijving de personen, landen en plaatsen, in het Oude Testament voorkomende, en voor het grootste gedeelte ook etymologisch behandeld. (Groningen: M. Smit, 1835) s.v. Bath-Seba. Van Ronkel was destijds hoofdonderwijzer aan een Joodse school en beëdigd vertaler.