Bijvrouw

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een bijvrouw of bijwijf is[1] (1) een bijzit, concubine of (2) (in culturen met veelwijverij) een vrouw naast de hoofdvrouw. Bijwijven heten in het Oude Testament de vrouwen, die de Israëlieten naast hun wettige vrouw of vrouwen bezaten. Zij waren geen concubines.

Concubine. Een bijzit of concubine is vrouw een waarmee een man buitenechtelijk in min of meer vaste verhouding leeft en omgang heeft. Synoniem: concubine, dat uit het Frans komt. In Engelse bijbelvertalingen wordt echter het woord 'concubine' genomen, waar Nederlandse vertalingen 'bijvrouw' bezigen. In het Engels wordt blijkbaar het onderscheid in het Nederlands tussen de bijzit, die in een situatie van overspel is, en de nevenvrouw, de echtgenote van ondergeschikte rang, die in het gezin van de man voorkomt, niet gemaakt.

Herkomst. De bijwijven waren of dienstmaagden van de eerste vrouw en als zodanig aan deze onderworpen, of gekochte maagden, of vrouwen die door koop verkregen of krijgsgevangen gemaakt waren.

Rang en rechten. De wettige vrouwen waren in het genot van alle burgerlijke rechten. De bijvrouwen of vrouwen van de tweede rang hadden geen gelijke rechten met de eerste, maar waren ook geenszins slechts concubines. De betrekking van het bijwijf tot de wettige vrouw was die van dienstmaagd tot meesteres (Gen. 16: 9). De vader van de bijvrouw was een schoonvader van de man (Richt. 19:4, 9), en de man was zijn schoonzoon (Richt. 19:5).

Iedere gehuwde man stond het naar de zeden van de vaderen vrij zich een bijvrouw te nemen, en men ging er licht toe over, als het wettige huwelijk onvruchtbaar was, zoals reeds bekend is uit de geschiedenis van Abraham en Jakob (Gen. 16: 2v; 30: 8v.), die bijvrouwen uit hun dienstmaagden hadden, onder goedkeuring van hun wettige echtgenoten. De Hebreeuwse mannen mochten er meer dan een hebben. De bijvrouwen werden zonder verdere formaliteiten (bruidsgschenk, bruiloft) genomen, en konden gemakkelijker weggezonden worden (Deut.21:10vv.).

De vorsten bezaten, volgens de wijze van de Oosterlingen, soms vele honderden (2 Sam. 5: 13; 1 Kon. 11: 8). Ook de nog ongehuwde zonen van de Israëlieten ontvingen niet zelden van hun vaders uit de dienstmaagden van het huis zulke vrouwen, opdat de hartstocht niet tot grove ongeregeldheid verviel. Deze vrouwen waren na het wettig huwelijk van die jongemannen hun bijvrouwen en hadden als zodanig aanspraak op voeding, kleding en andere rechten, die haar niet onthouden konden worden, of zij verkregen zonder losgeld hun vrijheid( Ex. 21: 11).

Trouw. De bijvrouwen hadden trouw te bewijzen aan hun heren en de omgang met andere mannen te vermijden (Richt. 18: 2v.; 2 Sam. 3: 7; vgl. Gen. 35: 22; 49: 4; Amos 2: 7).

Ri 19:1 En het gebeurde in die dagen, toen er in Israël geen koning was, dat er een Levitische man was, die als vreemdeling in een van de uithoeken van het bergland van Efraïm verbleef, die voor zich een vrouw uit Bethlehem in Juda als bijvrouw nam. Ri 19:2 Maar zijn bijvrouw bedreef hoererij tegen hem en ging bij hem weg, naar het huis van haar vader in Bethlehem in Juda. En zij bleef daar enige dagen, te weten vier maanden. Ri 19:3 En haar man stond op en ging haar achterna om naar haar hart te spreken en haar weer terug te halen. En zijn knecht was bij hem, en een span ezels. En zij liet hem binnen in het huis van haar vader. En toen de vader van de jonge vrouw hem zag, was hij blij hem te ontmoeten. (HSV)

Dat ook een bijvrouw de man naar willekeur zouden hebben kunnen verlaten, zoals vele uitleggers ten gunste van de bijvrouw hebben aangenomen[2], is een veronderstelling zonder grond; zij moesten veeleer haar mannen trouw zijn, zoals dan ook de wetten uit Lev.18 {#Le 18 } haar betroffen. Intussen stond op echtbreuk met een bijvrouw de steniging niet, maar volgens Lev.19:20vv. behalve lichamelijke kastijding voor de schuldige man, als boete een schuldoffer, en volgens de overlevering de geseling (40 slagen) voor de schuldige vrouw. Het is dus van de zijde van de Leviet in Richt. 19 een bijzondere verschoning, wanneer hij zijn trouweloze bijvrouw nagaat en haar weer probeert te verkrijgen.

Kinderen. De kinderen van de bijvrouwen waren geen erfgenamen van de vaders, maar kregen doorgaans geschenken (Gen. 25: 6). Zij erfden niet met de wettige kinderen, maar werden met geschenken weggezonden.

Bron

W. Moll, P.J. Veth, F.J. Domela Nieuwenhuis e.a., Bijbelsch woordenboek voor het christelijk gezin. Eerste deel A – H. Amsterdam: P.N. van Kampen, 1852. Uit het lemma Bijwijven is op 11 aug. 2016 tekst genomen en verwerkt.

Karl August Dächsel, F. P. L. C. van Lingen, H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Richt 19:1. Tekst hiervan is verwerkt op 11 aug. 2016.

Voetnoten

  1. Volgens Van Dale's Groot woordenboek der Nederlandse taal (13e uitgave), digitale versie 1.0 Plus, jaar 2000.
  2. Aldus Dächsel in: Karl August Dächsel, F. P. L. C. van Lingen, H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Richt 19:1.