Catacombe

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een catacombe is een onderaardse begraafplaats. Catacomben in het Romeinse rijk zijn voor de vervolgde christenen toevluchtsoorden geweest.

De catacomben in Rome en andere plaatsen zijn getuigen geweest van de diepe geloofszin en de bovenmenselijke heldenmoed van vervolgde christenen in de eerste eeuwen van het christendom.

Catacombe van San Gennaro (= Heilige Januarius) in de Italiaanse stad Napels. Januarius stierf als martelaar ca. 305.

De catacomben zijn begraafplaatsen (coemeteria = slaapplaatsen). Die van Domitilla en Priscilla dagtekenen uit de eerste eeuw. Catacombe komt van "ad Catacumbas”: "bij de glooiingen. Deze benaming werd in de eerste twee eeuwen toegekend aan de catacombe van St. Sebastianus, omdat deze gelegen was aan een verlaging van het terrein aan de Appische straatweg. Deze benaming is later overgegaan op de andere catacomben vanwege haar waardigheid; want in de derde eeuw zou zij tijdelijk de lichamen van Petrus en Paulus hebben geborgd.

Aanvankelijk waren de catacomben privaatbegraafplaatsen; ze dragen dan ook de naam van aanzienlijke christenen en christinnen. Zij lagen doorgaans aan de grote wegen rondom de stad. Tegen het einde van de tweede eeuw wierf de christelijke gemeente, als corporatie, zelf een pand aan ten behoeve van haar leden. De diaken Callistus werd als kerkelijk inspecteur van deze catacombe aangesteld. Aan hem ontleent ze dan ook haar naam. In deze catacombe vonden de opzieners van de gemeente te Rome (= pausen) hun rustplaats in de zogenaamde pauskrypte.

Eerst onder de vervolgingen van Decius en Valerianus zijn de christenen in de catacomben gevlucht. Toen boden zij vaak een veilig toevluchtsoord, waar gedoopt, vergaderd en gebeden werd, en waar men zich sterkte tot de strijd. De heiligheid en onschendbaarheid van de begraafplaatsen, gewaarborgd door de Romeinse wet, verklaart het feit, dat de christenen deze dodengraven hebben kunnen aanleggen en benutten, zonder in botsing te komen met de overheid.

Tegen het einde van de vierde eeuw werd het begraven in de catacomben gestaakt.

In de achtste eeuw gaf de plunderwoede van de Longobarden de pausen aanleiding, een groot aantal relikwieën van de martelaren over de verschillende basilieken van Rome te verdelen.

Te beginnen met de negende eeuw geraakt het onderaardse Rome in vergetelheid (niet uitzondering van de catacombe van de Heilige Sebastianus), om op het einde van de zestiende eeuw opnieuw ontdekt te worden door Antonio Bosio, en in de 19e eeuw met ongeëvenaarde genialiteit en toewijding te worden onderzocht door de grootmeester van de catacombenwetenscliap: Giovanni Battista de Rossi.

De catacomben hebben een grote apologetische waarde. Ze zijn versierd met inschriften en muurschilderingen, die getuigen voor de overeenkomst van ons geloof met dat van de eerste christenen. Dit getuigenis is te krachtiger door de omstandigheid dat de catacomben zo lang ontoegankelijk zijn geweest en derhalve ieder vermoeden van latere vervalsing is uitgesloten. De grafschriften getuigen o.a. van het geloof der eerste christenen in de gemeenschap der heiligen, de heiligenverering. de relikwieënverering, het avondmaal enz. In de catacomben wordt ook het vissymbool gevonden, een symbool van Christus, en wel omdat de letters van het Griekse Ichtus de beginletters zijn van Jèsous Christos Theou Uios Sother (= Jezus Christus Gods Zoon Zaligmaker). Mariabeelden en -voorstellingen treft men in de catacomben niet.

Bron

H.M.H. Bartels, Geschiedenis der Katholieke Kerk (Venloo: G. Mosmans senior, 1926) blz. 48-50. Tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 18 aug. 2019.