Doëg

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Doëg was een Edomiet die Achimelech met al de zijnen, al de priesters uit zijn huis, ombracht.

Zijn naam betekent "vrezend", van het Hebreeuwse werkwoord daag, 'vrezen, bezorgd zijn, beangst zijn'. Deze eigennaam komt 6x in de Bijbel voor. Het Strongnummer is 01673.

De Edomiet Doëg was door Saul gevangen genomen. Daar hij zich de gunst van de koning had weten te verwerven, werd hij door deze tot hoge betrekkingen verheven. Hij schijnt een betrekking bekleed te hebben, welke wij opperstalmeester zouden noemen. Hij was de overste van Sauls herders.

Toen David te Nob, vluchtend voor Saul, bij Achimelech om brood en een zwaard kwam vragen, was Doëg daar juist aanwezig, en verzuimde niet de zaak bij Saul in het hate lijkste daglicht voor te stellen. Dientengevolge werd Achimelech met al de zijnen ter dood veroordeeld, en, daar geen Israëliet zodanig beul wilde zijn, maakte Doëg geen bezwaar om de schanddaad met eigen hand te volbrengen.

David schreef psalm 52, "toen Doëg, de Edomiet, gekomen was en aan Saul bekendgemaakt en tegen hem gezegd had: David is gekomen in het huis van Achimelech." (vers 2) Uit deze psalm blijkt dat Doëg een rijke en machtige man was, die God niet vreesde, maar op zijn grote rijkdom vertrouwde.

Bron

P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling. Haarlem: De erven F. Bohn, 1866. Tekst van het lemma Doëg is op 13 mei 2016.