Elam (naam)

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Elam (= 'eeuwigheid') is in de Bijbel een eigennaam en een plaatsnaam.

De naam 'Elam' betekent 'eeuwigheid'[1].

  1. Elam, zoon van Sem.
  2. Elam, een koninkrijk genoemd naar de zoon van Sem
  3. Elam, zoon van Sasak, een Bejaminiet, 1 Kron. 8:24.
  4. Elam, zoon van Meselemja; een Korachiet ten tijde van David, 1 Kron. 26:3.
  5. Elam, een hoofd van het volk, die het verbond verzegelden. Neh. 10:14.
  6. Elam, wiens nakomelingen waren getrouwd met vreemde vrouwen, Ezra 10:2,26.
  7. Elam, een priester die deelnam aan de inwijding van de herstelde muur van Jeruzalem, Neh. 12:42.
  8. Twee of meer personen genaamd Elam, wier afstammelingen terugkeerden uit de Babylonische ballingschap, Ezra 2:7,31; 8:7; Neh. 7:12,34.

Bron

A New and Concise Bible Dictionary (George Morris, 1899) s.v. Elam. Hieruit is op 25 jan. 2013 tekst genomen, vertaald en verwerkt.

Voetnoot

  1. Hebreeuws-Nederlands Lexicon, onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia.