Eli

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Eli was een hogepriester, uit het geslacht van Ithamar, die een zoon was van de eerste hogepriester Aäron. Hij richtte Israël 40 jaren. Onder zijn toezicht diende de jonge Samuël te Silo, waar de tabernakel was.

De eigennaam Eli naam betekent ‘verheffing’[1] of ‘opgang’, van het werkwoord alah, ‘optrekken, opgaan, opkomen, opklimmen, opstijgen, bestijgen, klimmen’.

De priester Eli hield Hanna, die prevelend haar hart voor God uitstortte, voor een dronken vrouw. Nadat de kinderloze en getergde vrouw haar gedrag had verklaard, voorzegde Eli dat zij een kind zou krijgen. Hanna kreeg Samuël (=’van God gebeden’) en wijdde hem aan de dienst van God. Samuël diende als jonge Nazireeër onder toezicht van Eli.

Eli’s zonen, de priesters Hofni en Pinehas, zondigden, maar Eli liet na hen aan te pakken.

De treurige boodschap dat zijn beide zonen in een slag tegen de Filistijnen gesneuveld waren, en de ark van God genomen was, maakte een einde aan zijn 98-jarig leven, 1 Sam. 4: 1-18.

Bron

S.J. van Ronkel, Woordenboek der eigennamen, naar hunne eerste spelling en oorspronkelijke uitspraak met eene korte beschrijving de personen, landen en plaatsen, in het Oude Testament voorkomende, en voor het grootste gedeelte ook etymologisch behandeld. (Groningen: M. Smit, 1835) s.v. Eli. Hieruit is op 22 april 2014 tekst genomen en verwerkt.

Voetnoot

  1. S.J. van Ronkel, Woordenboek der eigennamen, naar hunne eerste spelling en oorspronkelijke uitspraak met eene korte beschrijving de personen, landen en plaatsen, in het Oude Testament voorkomende, en voor het grootste gedeelte ook etymologisch behandeld. (Groningen: M. Smit, 1835) s.v. Eli. Van Ronkel was destijds hoofdonderwijzer aan een Joodse school en beëdigd vertaler.