Eliëzer

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Eliëzer is in de Bijbel een eigennaam van meerdere personen, van wie de knecht van Abraham de bekendste is.

De naam betekent 'Mijn God is hulp' of ‘wien God tot hulpe is’[1], van El, ‘God’, en het werkwoord Azôr, ‘helpen, bijstand verlenen, vgl. Exod. 18: 4. Het gaat om de volgende personen:

'Rebecca en Eliëzer bij de bron', schilderij van Ottavia Vannini, ca. 1626-1627.

1.   de voornaamste van Abrahams knechten. Hij was ‘van Damascus’, hoewel geboren in het huis van Abraham (Gen. 15:3). Abram had hem vóór Izaks geboorte tot zijn erfgenaam bestemd (Gen. 15:2-3). Hoezeer zijn meester vertrouwen in hem stelde, blijkt ons uit zijn zending naar Mesopotamië, ten einde voor Izak een vrouw uit Nahors geslacht te zoeken. Het was waarschijnlijk Eliëzer die gezonden werd. Hij was blijkbaar een vroom man, en vertrouwde op God om zijn reis voorspoedig te maken.

Zijn missie is een prachtig beeld van het werk van de Heilige Geest in het verwerven van een bruid voor de Heer Jezus, voor wie Hij nu de gemeente bijeenvergadert. Eliezer plaatste een gouden voorhoofdsiersel op Rebecca’s aangezicht en twee armringen aan haar handen (Gen. 24:47), die ze droeg op weg naar Izak. De sieraden zijn een zinnebeeld van de genade of vrucht van de Geest, waarmee Hij hen siert die Hij leidt naar de hemelse Bruidegom (Gen. 24:1-67).

2.   Tweede zoon van Mozes en Zippora (Ex. 18:4), zo genoemd door Mozes, omdat 'God' was 'zijn hulp’ geweest. Eliëzer werd met zijn moeder en zijn broer overgelaten aan de zorg van Jethro tot na de uittocht van Israël, toen zij herenigd werden met Mozes in de woestijn.

Eliëzer had slechts één kind, Rehábja (1 Kron. 23:15,17; 26:25).

Geslachtslijn
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jakob
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Levi
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Gersom
 
Kahath
 
Merari
 
Jochebed
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Amram
 
Jizhar
 
Hebron
 
Uzziël
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Aäron
 
Mozes
 
Mirjam
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Gersom
 
Eliëzer
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Rehabja

3.   een zoon van Becher en kleinzoon van Benjamin, 1 Kron. 7:8;

4.   een priester, tijdgenoot van David, die op de trompet blies toen de ark van het verbond naar Jeruzalem werd gebracht, 1 Kron. 15:24;

5.   een zoon van Zichri en vorst over de stam Ruben, ten tijde van David, 1 Kron. 27:16;

6.   zoon van Dodava en een profeet ten tijde van Josafat;

2Kr 20:37 Maar Eliëzer, de zoon van Dodava, van Maresa, profeteerde tegen Josafat, zeggende: Omdat gij u met Ahazia vergezelschapt hebt, heeft de HEERE uw werken verscheurd. Alzo werden de schepen verbroken, dat zij niet konden naar Tharsis gaan. (SV)

7.   een der hoofden over de ballingen, die met Ezra uit Babel terugkeerden; Ezra zond hem om Levieten te halen om Ezra te vergezellen naar Jeruzalem. Ezra 8:16.

8.   Drie Israëlieten, onder wie een Leviet, die getrouwd waren met vreemde vrouwen. Ezra 10:18,23,31;

9.   Zoon van Jorim en een der namen in Jezus’ geslachtsregister, Luc. 3:29.

Bron

P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling. Haarlem: De erven F. Bohn, 1866. Hieruit is op 15 febr. 2013 tekst genomen en bewerkt.

A New and Concise Bible Dictionary (George Morris, 1899) s.v. Eliezer. Hieruit is op 15 febr. 2013 tekst genomen, vertaald en verwerkt.

Voetnoot

  1. S.J. van Ronkel, Woordenboek der eigennamen (Groningen: M. Smit, 1835) s.v. Eliëzer. Van Ronkel was destijds hoofdonderwijzer aan een Joodse school en beëedigd vertaler.