Eljakim

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Eljakim is de naam van verschillende mannen genoemd in het Oude Testament.

Naam. De naam betekent 'God doet opstaan' of 'God stelt op'[1].

Verwijzingen. Dragers van de naam zijn:

1. Eljakim, een zoon van koning van Josía en een broer van Joahaz. De koning van Egypte veranderd zijn naam in Jojakim en maakte hem koning in de plaats van zijn broer Joahaz; → Jojakim.

2. opvolger van Sebna in de betrekking van hofmeester aan het hof van de koning Hizkia. Deze hoge waardigheid werd aan de goddeloze Sebna ontnomen, en aan de vrome Eljakim opgedragen, volgens de profetie van Jesaja 22: 15-25.

Jes 22:15 Alzo zegt de Heere, de HEERE der heirscharen: Ga heen, ga in tot dien schatmeester, tot Sebna, den hofmeester, [en] [spreek]: Jes 22:16 Wat hebt gij hier, of wien hebt gij hier, dat gij u hier een graf uitgehouwen hebt [als] die zijn graf in de hoogte uithouwt, die een woning voor zich op een rotssteen laat aftekenen? Jes 22:17 Zie, de HEERE zal u wegwerpen met een mannelijke wegwerping, en Hij zal u ganselijk overdekken. Jes 22:18 Hij zal u gewisselijk voortrollen, gelijk men een bal rolt, in een land, wijd van begrip; aldaar zult gij sterven, en aldaar zullen uw heerlijke wagenen zijn, o gij schandvlek van het huis uws heren! Jes 22:19 En Ik zal u afstoten van uw staat, en van uw stand zal Hij u verstoren. Jes 22:20 En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Mijn knecht, Eljakim, den zoon van Hilkia, roepen zal. Jes 22:21 En Ik zal hem met uw rok bekleden, en Ik zal hem met uw gordel sterken, en uw heerschappij zal Ik in zijn hand geven; en hij zal den inwoneren te Jeruzalem en den huize van Juda tot een vader zijn. Jes 22:22 En Ik zal den sleutel van het huis van David op zijn schouder leggen; en hij zal opendoen, en niemand zal sluiten, en hij zal sluiten, en niemand zal opendoen. Jes 22:23 En Ik zal hem [als] een nagel inslaan in een vaste plaats; en hij zal wezen tot een stoel der eer voor het huis zijns vaders. Jes 22:24 En men zal aan hem hangen alle heerlijkheid van het huis zijns vaders, der uitspruitelingen en der afkomelingen, [ook] alle kleine vaten, van de vaten der bekers af, zelfs tot al de vaten der flessen. Jes 22:25 Te dien dage, spreekt de HEERE der heirscharen, zal die nagel, die aan een vaste plaats gestoken was, weggenomen worden; en hij zal afgehouwen worden, en hij zal vallen, en de last, die daaraan is, zal afgesneden worden; want de HEERE heeft het gesproken. (SV)

Toen Jeruzalem door de Assyriërs belegerd werd, was hij van een de gezanten die naar de vijand afgevaardigd werden. Hij was een godvruchtig man, en wordt met ere vermeld;

3. een priester, ten tijde van Nehemia;

4. twee van de namen vermeld in het geslachtsregister van Jezus Christus.

Bron

P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling. Haarlem: De erven F. Bohn, 1866. Tekst van het lemma 'Eljakim' is op 10 april 2017 verwerkt. 

Voetnoot

  1. Hebreeuws-Nederlands Lexicon; op basis van Strong-coderingen. Onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia. Het is gebaseerd op het Engelstalige Online Bible Hebrew-Englisch Lexicon van Larry Pierce.