Eljasib

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Eljasib (= "God herstelt") is een eigennaam van verschillende personen in de Bijbel.

De eigennaam Eljasib (Eng. Eliashib, Fr. Eliaschib, Du. Eljasib) betekent "God herstelt" of "God geeft terug"[1]. De naam wordt 17x in de Bijbel genoemd. Het Strongnummer is 0475.

De naam verwijst naar de volgende personen:

  1. een overste van de priesters, ten tijde van David;
  2. een van de nakomelingen van Zerubbabel en daarmee van David;
  3. een priester, wiens zoon ten tijde van Ezra leefde;
  4. een tempelzanger, gehuwd met een vreemde vrouw;
  5. een man van de familie van Zatthu, gehuwd met een vreemde vrouw;
  6. een man van de familie van Bani, gehuwd met een vreemde vrouw;
  7. een hogepriester, ten tijde van Nehemia, zie hierna.

De hogepriester Eljasib

Eljasib - Van Aäron tot Eljasib.jpg

Hij was een nakomeling van de hogepriester Aäron (zie stamboom). Zijn vader was Jojakim, de zoon van Jozua, en hijzelf was de vader van Jojada, alle drie hogepriesters.

Eljasib werkte mee aan de herbouw van Jeruzalems poorten en muren.

Ne 3:1 Toen stonden Eljasib, de hogepriester, en zijn broeders, de priesters, op en herbouwden de Schaapspoort. Zij heiligden die en plaatsten de deuren ervan. Tot aan de Honderdtoren heiligden ze hem, tot aan de Hananeëltoren. (HSV)

Eljasib was niet zeer ijverig waar het de handhaving van de Mozaïsche wet gold; ook was hij niet in staat het volk van de lasten te ontheffen, waardoor het nog gedrukt werd. Bij zijn komst in het land deed Nehemia zijn ijver toenemen, en maakte later ook aan de misbruiken een einde, welke onder deze hogepriester tot stand gekomen, of althans door hem begunstigd waren.

Ne 13:4 Hiervóór had Eljasib, de priester die aangesteld was over de kamers van het huis van onze God, en die verwant was aan Tobia, Ne 13:5 een grote kamer voor hem gemaakt; daar brachten zij vroeger steeds het graanoffer, de wierook, de voorwerpen, de tienden van het graan, van de nieuwe wijn en de olie-overeenkomstig het gebod voor de Levieten, de zangers en de poortwachters-en het hefoffer voor de priesters. (HSV)

Eljasib had als hogepriester het oppertoezicht over de nevengebouwen van de tempel. Hiervóór was hij nabestaande van de Ammoniet Tobia geworden; hij had zich op de ene of andere wijze door een huwelijk verzwagerd aan de Ammoniet. God had echter verboden

Ne 13:1 ... dat een Ammoniet of een Moabiet tot in eeuwigheid niet in de gemeente van God mocht komen, (HSV)

Mesezabeël
 
 
 
 
 
Arach
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
BerechjaSechanja
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
MesullamTobia
 
dochter
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
dochter
 
Johanan
 
 
 
 

Ofschoon Eljasib zich niet had onttrokken aan de werken tot herstelling van de muren (Neh 3.1), was hij wellicht niet ingenomen met de pogingen door Ezra en Nehemia aangewend, tot strenge afscheiding van de Joodse gemeente van de vreemden (Neh. 13.1). Eljasib stond wellicht aan de zijde van de edelen van Juda, die een goede band met Tobia hadden (Neh. 6.17). Hierom vinden wij zijn naam wellicht ook niet onder hen, die op de boet- en bededag (Neh. 9) het verdrag tot vernieuwing van Gods verbond hadden ondertekend (Neh. 9:38-10:1).

Jozua
 
 
 
 
 
Jojakim
 
 
 
 
 
Eljasib
 
 
 
 
 
JojadaSanballat
 
 
 
 
 
 
 
zoon
 
dochter
 

Op welke wijze hij zich met Tobia had verzwagerd, kan men niet nauwkeurig bepalen. Tobia was getrouwd met een dochter van de jood Sechanja. Zij kregen een zoon genaamd Johanan (= 'Jahweh begenadigt'). Deze zoon van Tobia trouwde met een dochter van de priester of Leviet Mesullam. Wellicht was Eljasib verwant met Mesullam[2].

Eljasib had door een kleinzoon, die getrouwd was met een dochter van Sanballat, een familiebetrekking met de niet-Jood Sanballat.

Gedurende Nehemia's afwezigheid van Jeruzalem had Eljasib aan de Ammoniet Tobia een kamer in de voorhof van het huis Gods tot woning ingeruimd. Tobia gebruikte die kamer als woning, wanneer hij om bezigheden of om zijne bloedverwanten te bezoeken in Jeruzalem was. Terstond nadat Nehemia in de stad was teruggekomen, liet hij het huisraad van Tobia uit de kamer werpen, waardoor zij aan haar eigenlijke bestemming werd teruggegeven.

Ne 13:7 Toen ik in Jeruzalem aankwam, kreeg ik inzicht in het kwaad dat Eljasib ten behoeve van Tobia gedaan had, door een kamer voor hem te maken in de voorhoven van het huis van God. Ne 13:8 Dit was volstrekt kwalijk in mijn ogen;daarom wierp ik al het huisraad van Tobia uit de kamer naar buiten. Ne 13:9 Ik zei dat ze de kamers moesten reinigen, en ik liet de voorwerpen van het huis van God daar terugbrengen, met het graanoffer en de wierook. (HSV)

Bronnen

P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling. Haarlem: De erven F. Bohn, 1866. Tekst van het lemma 'Eljasib' is op 15 april 2016 verwerkt.

Karl August Dächsel; F P L C van Lingen; H van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Neh, 13:4-5. Enige tekst hiervan is verwerkt.

Voetnoten

  1. Hebreeuws-Nederlands Lexicon, onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia.
  2. Een gedachte van Karl August Dächsel; F P L C van Lingen; H van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Neh. 13:5