Erfenis

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een erfenis is (1) dat wat een overledene nalaat, of (2) dat wat iemand van een overledene erft, of (3) dat wat een vorige generatie of persoon tot stand heeft gebracht.[1] God heeft voor hen die uit genade gerechtvaardigd zijn en zijn kinderen zijn geworden, een heerlijke erfenis in de hemelen weggelegd.

Begrippen

Erfgoed, erfenis, erfdeel is de bezitting, die iemand aan zijn kinderen of naaste bloedverwanten na zijn dood nalaat, of het deel dat iemand uit een nalatenschap ten deel valt.

De erfgenaam is de persoon die in het bezit van de erfenis treedt. In het begrip van erfgenaam kan zowel het element „van rechtswege" als „zonder verdiensten" liggen.

Erfakker is het aan ieder huisgezin in Israël door God, als de erf- en leenheer, die voor het volk het land veroverd heeft, aangewezen aandeel, dat men niet verkopen, maar slechts tot vruchtgebruik tot aan het jubeljaar aan een ander verpachten mocht, en dat de vaste grond en kern van al het familie-eigendom vormde (Lev. 27: 28. 1 Kon. 21: 3).

'Erfgoed', 'erfenis' of 'erfdeel' wordt dikwijls in een oneigenlijke zinnebeeldige zin gebruikt.

'Erfenis' en 'erfgenaam' zijn in het Nieuwe Testament benamingen ontleend aan erflating door mensen, maar ook aan het bezit van stukken land in Israël, dat het erfdeel van de Israëlieten was. Van hier zijn deze benamingen, bij wijze van zinspeling, toegepast op de voortreffelijker bezittingen, die een gelovige, volgens de belofte van God, in de hemel te verwachten heeft. De hemelse erfenis is verbonden met een hogere gelukzaligheid dan een erfenis bestaande uit aardse goederen.

Erfrecht in het oude Israël

Het erfrecht van de Israëlieten was wat zijn wezen betreft het volgende: volgens een oud gebruik (Gen. 21: 10 vgl. 24: 36; 25 : 5; 31: 14), dat men ook bij andere volken, bijvoorbeeld de Atheners vindt, verviel de nalatenschap van de vader slechts aan de zonen van de rechtmatige vrouwen. De weduwen en ongehuwde zusters bleven in het huis van de eerstgeborene, die reeds in vroegere tijd een voortreffelijker (Gen.  25: 31; 49: 3 vgl. Ps. 105: 36; volgens Deut. 21: 15), een dubbel erfdeel kreeg en als familiehoofd werd beschouwd. Uitzonderingen, dikwijls in vroegere tijd, voornamelijk bij zonen van meer geliefde vrouwen, of wegens overtreding van de eerstgeborenen bijv. bij de zonen van Jakob (Gen. 48 : 5; hoofdst. 49. 1 Kron. 6: 1) waren volgens de wet van Mozes niet geoorloofd[2].

Zonen van bijvrouwen. De zonen van de bijvrouwen kregen geschenken volgens Gen. 25: 6. Evenwel is daarover in de wet niets bepaald, en volgens Gen. 30:3, vgl. 49: 1, behandelt Jakob de zonen van zijn bijvrouwen, als die van zijn eigenlijke vrouwen, daar zij deze in de schoot baarden. Jefta (Richt. 11:1) werd niet als zoon van een bijwijf, maar van een hoer, uit het erfdeel gestoten.

Dochters verkregen gewoonlijk slechts een uitzet (Gen.  31: 14) en erfden met de zonen slechts door een bijzondere begunstiging van de vader (Job  42: 15. Joz. 15 : 16. Richt. 1: 12). Kaleb had als beloning een tweede erfdeel buiten het lot, dat hij aan zijn dochter kon geven. Waren er echter geen zonen voorhanden dan erfden de dochters (Num. 27 : 1) , maar zij moesten mannen uit de stam huwen, opdat de stammen bij elkaar bleven (vgl. Num. 36 voornamelijk vs. 11, en 1 Kron. 24: 21; 25: 28. Neh. 7: 63. Zie ook het apocriefe Tobias 6: 12 ; 7: 14). Deze voerden dan de naam van de schoonvader, werden als zijn zonen aangezien en plantten zo het geslacht zonder gaping voort. Huwde een erfdochter in een anderen stam, dan verloor zij het erfdeel. In latere tijd werd overigens deze beperking van de vrouwelijke erfgenamen opgeheven.

Kinderloos. Liet iemand in het geheel geen kinderen na, dan erfden zijn broeders, na dezen zijn neven, maar altijd slechts verwanten van vaders zijde (Num.  27 : 9). Was er iemand van de verwantschap van vaders zijde die met de weduwe het plichthuwelijk aanging en zodoende het vruchtgebruik en de besturing van de erfenis aanvaardde, dan bleef volgens rabbijnse wetsuitlegging aan de weduwe het vruchtgebruik tot aan haat dood of tot zij met een ander huwde, waarop de erfenis aan de betreffende aanverwant van de gestorven man verviel.

Knechten. Ook trouwe knechten konden door een laatste wil of met legaten bedacht of in vele gevallen met de kinderen gelijk gesteld worden (Spr. 17: 2 , vgl. 30: 23) of wanneer er geen wettige erfgenamen waren, in plaats van kinderen aangenomen en tot erfgenamen benoemd worden (Gen. 15: 3), of aan de erfdochter uitgehuwelijkt worden (1 Kron. 2: 34).

Verdeling bij leven. Op voorkomende gevallen van verdeling van de erfenis onder de kinderen bij het leven van de ouders duidt Luk. 15: 12.

Testament. Het in de wet van Mozes onverbrekelijk vastgestelde erfrecht maakte testamenten overbodig. In latere tijd werden echter, zoals wij uit de Talmoed zien, schriftelijke testamenten gemaakt[3]. Op het voorkomen van testamenten duiden de zinnebeeldige uitdrukkingen in Gal. 3 : 15 en Hebr. 9: 17.

De wetsuitlegging van de rabbijnen stelde slechts zoveel in schijn vast, dat de uitdrukking van de testamentmaker slechts niet de letter van de wet weerspreken mocht. De nauwgezette rabbijnse wetsuitlegging wist daardoor het eenvoudige mozaïsche erfrecht op allerlei wijzen te ontgaan en gaf aan de willekeur in testamenten een grote speelruimte. Zo kon bijvoorbeeld iemand onder de titel van geschenk, met voorbijgaan van zijn eigen kinderen, aan vreemde personen zijn gehele vermogen vermaken. De genoemde speelruimte gaf ook aanleiding tot veel strijd over de erfenis (Luk. 12: 13).

Gods erfdeel

Het volk Israël als Gods erfdeel

Het volk van God heet het erfdeel van Jahweh (Ex. 34:9; Deut. 9:26; 1 Kon. 8:51; Jer. 10:16 enz.), zijn erfvolk (Deut. 4: 20), waarop Hij een bijzonder recht heeft, omdat Hij het uitgekozen heeft uit de menigte der overige volkeren en met weldaden van zijn genade overlaadt, en dat Hij zo hoog, ja hoger acht dan een mens een kostbare erfenis. Wie Israël aanraakt, raakt Zijn oogappel aan (Zach. 2:8). Israël is geenszins uit verdienste het erfdeel van God geworden.

Ex 19:5  Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn; (SV)

Ex 34:9  En hij zeide: Heere! indien ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo ga nu de Heere in het midden van ons, want dit is een hardnekkig volk; doch vergeef onze ongerechtigheid en onze zonde, en neem ons aan tot een erfdeel! (SV)

De 4:20  Maar ulieden heeft de HEERE aangenomen, en uit den ijzeroven, uit Egypte, uitgevoerd; opdat gij Hem tot een erfvolk zoudt zijn, gelijk het te dezen dage is. (SV)

De 9:26  En ik bad tot den HEERE, en zeide: Heere, HEERE, verderf Uw volk en Uw erfdeel niet, dat Gij door Uw grootheid verlost hebt; dat Gij uit Egypte door een sterke hand hebt uitgevoerd. (...) De 9:29  Zij zijn toch Uw volk, en Uw erfdeel, dat Gij door Uw grote kracht, en door Uw uitgestrekten arm hebt uitgevoerd!(SV)

De 32:9  Want des HEEREN deel is Zijn volk, Jakob is het snoer Zijner erve. (SV)

1Sa 10:1 Toen nam Samuël een oliekruik, en goot ze uit op zijn hoofd, en kuste hem, en zeide: Is het niet alzo, dat de HEERE u tot een voorganger over Zijn erfdeel gezalfd heeft? (SV)

2Sa 21:3  David dan zeide tot de Gibeonieten: Wat zal ik ulieden doen, en waarmede zal ik verzoenen, dat gij het erfdeel des HEEREN zegent? (SV)

1Kon 8:51  Want zij zijn Uw volk en Uw erfdeel, die Gij uitgevoerd hebt uit Egypteland, uit het midden des ijzeren ovens; (...) 1Kon 8:53  Want Gij hebt hen U tot een erfdeel afgezonderd, uit alle volken der aarde; gelijk als Gij gesproken hebt door den dienst van Mozes, Uw knecht, als Gij onze vaderen uit Egypte uitvoerdet, Heere HEERE! (SV)

Ps 28:9  Verlos Uw volk, en zegen Uw erve, en weid hen, en verhef hen tot in eeuwigheid. (SV)

Ps 33:12  Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft. (SV)

Ps 74:2  Gedenk aan Uw vergadering, die Gij van ouds verworven hebt; de roede Uwer erfenis, die Gij verlost hebt; den berg Sion, waarop Gij gewoond hebt. (SV)

Ps 78:62  En Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde, en werd verbolgen tegen Zijn erfenis. (SV)

Ps 78:71  Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen, om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israël, Zijn erfenis. (SV)

Ps 94:14  Want de HEERE zal Zijn volk niet begeven, en Hij zal Zijn erve niet verlaten. (SV)

1Kon 8:51  Want zij zijn Uw volk en Uw erfdeel, die Gij uitgevoerd hebt uit Egypteland, uit het midden des ijzeren ovens; (SV)

Jer 10:16  ... Hij is de Formeerder van alles, en Israël is de roede Zijner erfenis; HEERE der heirscharen is Zijn Naam. (SV)

Jes 47:6  Ik was op Mijn volk zeer toornig, Ik ontheiligde Mijn erve, en Ik gaf hen over in uw hand; doch gij beweest hun geen barmhartigheden, ja, zelfs over den oude maaktet gij uw juk zeer zwaar. (SV)

Jer 51:19  Jakobs deel is niet gelijk die; want Hij is de Formeerder van alles, en Israël is de roede Zijner erfenis; HEERE der heirscharen is Zijn Naam. (SV)

Zac 2:12  Dan zal de HEERE Juda erven voor Zijn deel, in het heilige land, en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen. (SV)

Het land Israël als Gods erfdeel

Jer 2:7  En Ik bracht u in een vruchtbaar land, om de vrucht van hetzelve en het goede er van te eten; maar toen gij daarin kwaamt, verontreinigdet gij Mijn land, en steldet Mijn erfenis tot een gruwel. (SV)

Jer 12:14 Alzo zegt de HEERE: Aangaande al Mijn boze naburen, die Mijn erfenis aanroeren, dewelke Ik Mijn volke Israël erfelijk gegeven heb; ziet, Ik zal hen uit hun land uitrukken, maar het huis van Juda zal Ik uit hunlieder midden uitrukken. (SV)

Erfenis van Abraham

Abraham werd door God geroepen en hij gehoorzaamde en geloofde God. Hij ging naar een onbekende plaats die hij als erfdeel zou ontvangen.

Heb 11:8  Door het geloof gehoorzaamde Abraham toen hij geroepen werd, om uit te gaan naar de plaats die hij als erfdeel zou ontvangen; en hij ging uit zonder te weten waar hij komen zou. (Telos)

Ga 3:18  Want als de erfenis op grond van de wet is, dan is zij niet meer op grond van de belofte; maar God heeft haar aan Abraham door belofte geschonken. (Telos)

Ro 4:13  Want niet door de wet verkreeg Abraham of zijn nageslacht de belofte dat hij erfgenaam van de wereld zou zijn, maar door gerechtigheid van het geloof. Ro 4:14  Want als zij die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, dan is het geloof zonder inhoud gemaakt en de belofte te niet gedaan. Ro 4:15  Want de wet bewerkt toorn, maar waar geen wet is, is ook geen overtreding. Ro 4:16  Daarom is het op grond van geloof, opdat het naar genade zou zijn, zodat de belofte zeker zou zijn voor het hele nageslacht, niet alleen dat wat uit de wet is, maar ook dat wat uit het geloof van Abraham is, die een vader is van ons allen (Telos)

Kanaän, Israëls erfdeel

De uitsluiting van alle verdienste wordt voornamelijk uitgedrukt als Kanaän het erfdeel van Israël heet, een aan hen door God uit genade verleend erfgoed (Deut.  1: 38; 12: 9. Joz. 17: 14. Jer. 2: 7; 12: 14. Klaagl. 5 : 2. Ps. 135: 12; 136: 21 enz.). Israël bezit het land wegens een genaderecht. 

Nu 33:54  En gij zult het land in erfelijke bezitting nemen door het lot, naar uw geslachten; dengenen, die veel zijn, zult gij hun erfenis meerder maken, en dien, die weinig zijn, zult gij hun erfenis minder maken; waarheen voor iemand het lot zal uitgaan, dat zal hij hebben; naar de stammen uwer vaderen zult gij de erfenis nemen. (SV)

De 1:38  Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk denzelven, want hij zal het Israël doen erven. (SV)

De 12:9  Want gij zijt tot nu toe niet gekomen in de rust en in de erfenis, die de HEERE, uw God, u geven zal. (SV)

Joz 11:23  Alzo nam Jozua al dat land in, naar alles, wat de HEERE tot Mozes gesproken had; en Jozua gaf het Israël ten erve, naar hun afdelingen, naar hun stammen. En het land rustte van den krijg. (SV)

Joz 12:7  Dit nu zijn de koningen des lands, die Jozua sloeg, en de kinderen Israëls, aan deze zijde van de Jordaan tegen het westen, van Baäl-gad aan, in het dal van den Libanon, en tot aan den kalen berg, die naar Seïr opgaat; en Jozua gaf het aan de stammen Israëls tot een erfelijke bezitting, naar hun afdelingen. (SV)

Ps 78:55  En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en deed hen vallen in het snoer hunner erfenis, en deed de stammen Israëls in hun tenten wonen. (SV)

Ps 44:2  (44-3) Gij hebt de heidenen met Uw hand uit de bezitting verdreven, maar henlieden geplant; Gij hebt de volken geplaagd, henlieden daarentegen doen voortschieten. Ps 44:3  (44-4) Want zij hebben het land niet geërfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht Uws aangezichts, omdat Gij een welbehagen in hen hadt. (SV)

Ps 135:12  En Hij gaf hun land ten erve, ten erve aan Zijn volk Israël. Ps 136:22  Ten erve aan Zijn knecht Israël; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid. (SV)

Ps 136:21  En heeft hun land ten erve gegeven; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid. (SV)

Kla 5:2  Ons erfdeel is tot de vreemdelingen gewend, onze huizen tot de uitlanders. (SV)

Jer 12:14 Alzo zegt de HEERE: Aangaande al Mijn boze naburen, die Mijn erfenis aanroeren, dewelke Ik Mijn volke Israël erfelijk gegeven heb; ziet, Ik zal hen uit hun land uitrukken, maar het huis van Juda zal Ik uit hunlieder midden uitrukken. (SV)

Levieten

Aan de Levieten werd geen erfdeel gegeven in het midden van hun broeders, want de Heer sprak tot Aäron: Ik ben uw deel en uw erfgoed onder de kinderen Israëls (Num. 18 : 20. Deut. 10 : 9. Ezech. 44: 28 enz.), waarmee aan de priesters tegelijk door God geschonken wordt, wat Hem behoorde, de offergaven en de tienden, en waarmee in hogere zin voor de geestelijke priesters van het Nieuwe Testament afgebeeld wordt, dat God in Christus hun hoogste goed, hun schat en hun erfdeel zijn zal.

Nu 18:20  Ook zeide de HEERE tot Aäron: Gij zult in hun land niet erven, en gij zult geen deel in het midden van henlieden hebben; Ik ben uw deel en uw erfenis, in het midden van de kinderen Israëls. Nu 18:21  En zie, aan de kinderen van Levi heb Ik alle tienden in Israël ter erfenis gegeven, voor hun dienst, dien zij bedienen, den dienst van de tent der samenkomst. (SV)

De 10:8  Ter zelver tijd scheidde de HEERE den stam Levi uit, om de ark des verbonds des HEEREN te dragen, om voor het aangezicht des HEEREN te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op dezen dag. De 10:9  Daarom heeft Levi geen deel noch erve met zijn broederen; de HEERE is zijn Erfdeel, gelijk als de HEERE, uw God, tot hem gesproken heeft. (SV)

Eze 44:28  Dit nu zal hun tot een erfenis zijn: Ik ben hun Erfenis; daarom zult gij hunlieden geen bezitting geven in Israël; Ik ben hun Bezitting. (SV)

Erfdeel van David

Opmerkelijk is dat David, die geen Leviet was, zijn God als erfdeel beschouwt:

Ps 16:5  De HEERE is het deel mijner erve, en mijns bekers; Gij onderhoudt mijn lot. Ps 16:6  De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden. (SV)

In de NBG51-vertaling:

Ps 16:5  O HERE, mijn erfdeel en mijn beker, Gij zelf bestendigt wat het lot mij toewees. Ps 16:6  De meetsnoeren vielen mij in liefelijke dreven, ja, mijn erfdeel bekoort mij. (NBG51)

Johannes Calvijn schreef als commentaar: "Met een rustig en stil gemoed rust hij in de eeuwige God, ja, zo hoog is zijn roem, dat hij ten zeerste veracht, wat de wereld buiten Hem aan hem als werkelijk aanbiedt. Want in een heerlijke lofzang zijn God verheffend, zegt hij, dat hij niets meer verlangt."[4]

Erfgenaamschap en erfenis van de Heer Jezus

De Heer Jezus ontvangt alles als erfenis van Zijn Vader. Zijn verwerping en dood verhindert dat erven niet.

Mt 21:38  Toen de landlieden echter de zoon zagen, zeiden zij onder elkaar: Deze is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden en zijn erfenis in bezit nemen. (Telos)

Vergeljk:

Mr 12:7  Die landlieden echter zeiden tot elkaar: Deze is de erfgenaam; komt, laten wij hem doden en de erfenis zal van ons zijn. (Telos)

Lu 20:14  Toen de landlieden echter hem zagen, overlegden zij onder elkaar en zeiden: Deze is de erfgenaam; laten wij hem doden, opdat de erfenis van ons wordt.

God heeft hem gesteld tot een 'erfgenaam van alle dingen'.

Heb 1:2  die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft. (Telos)

Erfdeel van de gelovigen in Christus

God schenkt de gelovigen, hen die uit genade gerechtvaardigd en geheiligd zijn, een erfenis.

Col 1:12  terwijl u de Vader dankt, die u bekwaam heeft gemaakt om deel te hebben aan het erfdeel van de heiligen in het licht; Col 1:13  die ons gered heeft uit de macht van de duisternis en overgebracht in het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde, (Telos)

'Het erfdeel van heiligen in het licht' (Col. 1:12) is het eeuwige hemels goed en zaligheid. Hiervan moest het land van de aardse rust, het beloofde land Kanaän, het voorbeeld zijn.

"God is mijn goud; Hij woont in mij en ik smaak zijn eeuwige goedheid. (...) Met God verkrijgt u zulke goederen en schatten, die alle menselijk denken verre overtreffen," aldus Friedrich Christoph Oetinger (1702-1782)[5].

Tot die geluksstaat zijn ook niet-Joden uit genade verkozen en zo zelfs het erfdeel of erfvolk van God geworden. Beide joodse en heidense gelovigen zijn erfgenamen. Ten opzichte van de gelovigen uit Israël worden de gelovigen uit de volken (heidenen) 'mede-erfgenamen' genoemd.

Efe 3:6  dat zij uit de volken medeërfgenamen zijn en medeïngelijfden en mededeelgenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie, (Telos) Tit 3:7  opdat wij, door zijn genade gerechtvaardigd, erfgenamen werden naar de hoop van het eeuwige leven. (Telos)

Col 3:24  daar u weet dat u van de Heer als vergelding de erfenis zult ontvangen: u dient de Heer Christus. (Telos)

Jak 2:5  Hoort, mijn geliefde broeders: heeft God niet de armen in de wereld uitverkoren om rijk te zijn in het geloof en erfgenamen van het koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben?

Hnd 20:32  En nu draag ik u op aan God en aan het woord van zijn genade, die machtig is op te bouwen en het erfdeel te geven onder alle geheiligden. (Telos)

Uit genade, op grond van geloof

De erfenis is, gelijk het in het begrip der erfenis ligt, iets dat van rechtswege aan de kinderen van God toekomt en toch onverdiend, niet door eigen krachtsinspanning te verwerven is. Abraham ontving door Gods genade de belofte op grond van zijn geloof.

Ga 3:18  Want als de erfenis op grond van de wet is, dan is zij niet meer op grond van de belofte; maar God heeft haar aan Abraham door belofte geschonken. (Telos)

Ro 4:13  Want niet door de wet verkreeg Abraham of zijn nageslacht de belofte dat hij erfgenaam van de wereld zou zijn, maar door gerechtigheid van het geloof. Ro 4:14  Want als zij die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, dan is het geloof zonder inhoud gemaakt en de belofte te niet gedaan. Ro 4:15  Want de wet bewerkt toorn, maar waar geen wet is, is ook geen overtreding. Ro 4:16  Daarom is het op grond van geloof, opdat het naar genade zou zijn, zodat de belofte zeker zou zijn voor het hele nageslacht, niet alleen dat wat uit de wet is, maar ook dat wat uit het geloof van Abraham is, die een vader is van ons allen (Telos)

De erfenis als vergelding

Genade en geloof mogen ons echter niet passief maken. De erfenis ontvangen wij ook als vergelding voor onze dienst aan de Heer, ons werk voor Hem.

Col 3:17  En al wat u doet, in woord of in werk, doet alles in de naam van de Heer Jezus, terwijl u God de Vader door Hem dankt. Col 3:18 Vrouwen, weest aan uw mannen onderdanig, zoals het betaamt in de Heer, Col 3:19  Mannen, hebt uw vrouwen lief en weest niet bitter tegen hen.  Col 3:20  Kinderen, weest jullie ouders in alles gehoorzaam, want dit is welbehaaglijk in de Heer.  Col 3:21  Vaders, irriteert uw kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden.  Col 3:22  Slaven, weest uw heren naar het vlees in alles gehoorzaam, niet met ogendienst, als mensenbehagers, maar in eenvoud van hart, in vrees voor de Heer.  Col 3:23  Wat u ook doet, doet het van harte, als voor de Heer en niet voor mensen,  Col 3:24  daar u weet dat u van de Heer als vergelding de erfenis zult ontvangen: u dient de Heer Christus. (Telos)

Bij de dienst aan de Heer hebben wij wereld, zonde en Satan te overwinnen, met Jezus door het geloof tegenover deze machten stand te houden.

1Jo 5:4  Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning die de wereld overwonnen heeft: ons geloof. (Telos)

Opb 2:7  Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wie overwint, die zal Ik te eten geven van de boom van het leven die in het paradijs van God is. (Telos)

Zoonschap en erfgenaamschap

Wij zijn erfgenamen van God, en mede-erfgenamen van Christus, omdat wij door het geloof kinderen en zonen van God zijn geworden. God heeft ons bestemd om zonen van Hem te worden. Als kinderen, zonen erven wij.

Ro 8:17  En zijn wij kinderen, dan ook erfgenamen: erfgenamen van God en medeërfgenamen van Christus, als wij inderdaad met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. (Telos)

Ga 4:6  En omdat u zonen bent, heeft God de Geest van zijn Zoon in onze harten uitgezonden, die roept: Abba, Vader!  Ga 4:7  U bent dus niet meer slaaf, maar zoon; en bent u zoon, dan ook erfgenaam door God. (Telos)

Tit 3:7  opdat wij, door zijn genade gerechtvaardigd, erfgenamen werden naar de hoop van het eeuwige leven. (Telos)

Efe 1:11  in Hem, in Wie wij ook erfgenamen zijn geworden, waartoe wij tevoren bestemd waren naar het voornemen van Hem die alles werkt naar de raad van zijn wil, (Telos)

Ga 3:29  En als u van Christus bent, dan bent u Abrahams nageslacht en volgens belofte erfgenamen. (Telos)

Weggelegd in de hemelen

De erfenis van de gelovigen is voor hen weggelegd in de hemelen.

1Pe 1:3 Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die naar zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren doen worden tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden, 1Pe 1:4  tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, in de hemelen weggelegd voor u, 1Pe 1:5  die in de kracht van God door het geloof bewaard wordt tot de behoudenis, die gereed is om in de laatste tijd geopenbaard te worden. 1Pe 1:6  Daarin verheugt u zich, zo nodig nu een korte tijd bedroefd door allerlei verzoekingen, (Telos)

God heeft ons gezegend met 'alle geestelijke zegening in de hemelse gewesten in Christus'.

Efe 1:3   Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse gewesten in Christus,

Rijkdom, heerlijkheid

De erfenis die de gelovigen wacht is een heerlijk en rijk bezit.

Efe 1:18  verlichte ogen van uw hart, opdat u weet wat de hoop van zijn roeping is, wat de rijkdom is van de heerlijkheid van zijn erfenis in de heiligen, (Telos)

De gelovigen zijn erfgenamen van het koninkrijk der hemelen, dat de aarde en de hemelen omvat.

Jak 2:5  Hoort, mijn geliefde broeders: heeft God niet de armen in de wereld uitverkoren om rijk te zijn in het geloof en erfgenamen van het koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben? (Telos) 2Ti 4:18  De Heer zal mij redden van elk boos werk en behouden voor zijn hemels koninkrijk. Hem zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid! Amen. (Telos)

1Co 3:21 ... alles is van u: 1Co 3:22  hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Kefas, hetzij wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomstige dingen, alles is van u;  1Co 3:23  en u bent van Christus, en Christus is van God. (Telos)

Eeuwig leven

Het eeuwig leven is een leven in het gelukzalig bezit van de hemelse goederen. De hemelse erfenis behoort wezenlijk tot de toekomende staat van gelukkig. Deze geluksstaat is het voorwerp van onze hoop in dit leven op aarde.

Tit 3:7  opdat wij, door zijn genade gerechtvaardigd, erfgenamen werden naar de hoop van het eeuwige leven. (Telos)

Eeuwige erfenis

De gelovigen ontvangen een 'eeuwige erfenis'. Het genot ervan is niet tijdelijk, maar eeuwig.

Heb 9:15  En daarom is Hij middelaar van een nieuw verbond, zodat, nu de dood heeft plaatsgevonden tot verlossing van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte van de eeuwige erfenis ontvangen. (Telos)

Onvergankelijk, onbevlekt, onverwelkelijk

De erfenis is bestendig en volmaakt heerlijk.

1Pe 1:3 Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die naar zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren doen worden tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden, 1Pe 1:4  tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, in de hemelen weggelegd voor u, 1Pe 1:5  die in de kracht van God door het geloof bewaard wordt tot de behoudenis, die gereed is om in de laatste tijd geopenbaard te worden. 1Pe 1:6  Daarin verheugt u zich, zo nodig nu een korte tijd bedroefd door allerlei verzoekingen, (Telos)

Deze erfenis "wordt niet door de motten en de roest verteerd, zij is met geen treurigheid of onreine begeerte bevlekt, zij blijft eeuwig rein en fris" (Friedrich Christoph Oetinger, 18e eeuw)[5].

In Christus

De erfenis is onlosmakelijk met Hem verbonden. Wij ontvangen de erfenis in en door Hem. In Hem zijn wij erfgenamen worden.

Efe 1:3   Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse gewesten in Christus, (Telos)

Efe 1:11  in Hem, in Wie wij ook erfgenamen zijn geworden, waartoe wij tevoren bestemd waren naar het voornemen van Hem die alles werkt naar de raad van zijn wil, (Telos)

Gods raad

Dat wij met Christus zouden erven, is Gods eeuwig raadsbesluit en voornemen.

Efe 1:11  in Hem, in Wie wij ook erfgenamen zijn geworden, waartoe wij tevoren bestemd waren naar het voornemen van Hem die alles werkt naar de raad van zijn wil,

Heb 6:17  Daarom heeft God, omdat Hij de erfgenamen van de belofte de onveranderlijkheid van zijn raad overvloediger wilde bewijzen, Zich met een eed verbonden, (Telos)

Onderpand van onze erfenis

Het pand van de erfenis, het handgeld, waardoor wij in ons hart vooruit krachtig van ons genaderecht op de erfenis verzekerd worden, is de heilige Geest. De Heilige Geest, die iemand op grond van geloof ontvangt, is een onderpand, een voorschot van onze hemelse erfenis (Ef. 1: 14. 2 Kor. 1: 22).

Efe 1:13  in Wie ook u, toen u het woord van de waarheid, het evangelie van uw behoudenis, hebt gehoord in Wie u ook, toen u geloofd hebt, verzegeld bent met de Heilige Geest van de belofte, Efe 1:14  die het onderpand is van onze erfenis, tot de verlossing van de verkregen bezitting, tot lof van zijn heerlijkheid. (Telos)

2Co 1:20  Want hoeveel beloften van God er ook zijn, in Hem is het ja; daarom is ook door Hem het Amen, tot heerlijkheid van God door ons.  2Co 1:21  Hij nu die ons met u bevestigt in Christus en ons heeft gezalfd, is God, 2Co 1:22  die ons ook verzegeld en het onderpand van de Geest in onze harten gegeven heeft. (Telos)

Varia

Verdeling en onenigheid

Over de verdeling van een aardse erfenis kan ongenoegen en ruzie komen.

Joz 17:14  Toen spraken de kinderen van Jozef tot Jozua, zeggende: Waarom hebt gij mij ten erfdeel maar een lot en een snoer gegeven, daar ik toch een groot volk ben, voor zoveel de HEERE mij dus verre gezegend heeft? (SV)

Lu 12:13  Iemand nu uit de menigte zei tot Hem: Meester, zeg mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen. (Telos)

De zoon van God - onze Heer Jezus - die ons zijn 'broeders' noemt, laat ons zonder verwijt of wrevel, maar uit genade delen in zijn allesomvattende erfenis.

Verspilling van het erfdeel

De verloren zoon van Lucas 15 vroeg zijn vader om het erfdeel, ontving het, ging weg en verspilde in een losbandig leven elders.

Zie ook

Erfgenaam

Bronnen

Gerrit Hesselink, Woordenboek ter opheldering van de schriften des N. Verbonds (1793), s.v. Erfdeel, erfgenaam, erve, erven, ervenis. Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 19 juli 2019.

H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Eerste deel A - J. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1867) s.v. Erfenis, Erfgoed, Erven. Tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 20 juli 2019.

Voetnoten

  1. Erfenis, VanDale.nl, geraadpleegd 19 juli 2019.
  2. De veronderstelling dat de wet van Mozes in dezen een berisping tegen Jakob bevat, dat hij aan Jozef als zoon van zijn lievelingsvrouw Rachel een dubbele erfenis gegeven heeft, is ongegrond, daar Ruben wegens zijn overtreding niet slechts onterving, maar (Lev. 20: 10) de dood, ook de volgende, Simeon en Levi, straffen verdiend hadden, en ten gevolge hiervan de verdeling van het eerstgeboorterecht tussen Juda en Jozef de rechtvaardigste en het minst aan de afgunst van de andere broeders blootgesteld was.
  3. In het apocriefe Tobias 8 : 23 is geen eigenlijk testament, maar een huwelijkscontract.
  4. Aangehaald in Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Ps. 16:6.
  5. 5,0 5,1 Aangehaald in H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Eerste deel A - J. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1867) s.v. Erfenis, Erfgoed, Erven. Het citaat is op Christipedia.nl gemoderniseerd qua spelling.