Evangelie naar Mattheüs/Commentaar/Hoofdstuk 26

Uit Christipedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Hoofdstuk 26 van het Bijbelboek Evangelie naar Mattheüs wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Matth. 26:31

Mt 26:31  Toen zei Jezus tot hen: U zult allen over Mij ten val komen in deze nacht; want er staat geschreven: ‘Ik zal de herder slaan en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden’. (TELOS)

U zult allen over Mij ten val komen. Hun val houdt verband met hun verstrooiing.

Mr 14:27 En Jezus zei tot hen: Allen zult u ten val komen, want er staat geschreven: ‘Ik zal de herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden’. (TELOS)

De leerlingen verlieten Hem toen hij werd gearresteerd. En ze werden verstrooid 'ieder naar het zijne'.

Mt 26:56 Dit alles is echter gebeurd opdat de Schriften van de profeten vervuld worden. Toen verlieten alle discipelen Hem en vluchtten. (TELOS)

Joh 16:32 Zie, er komt een uur en het is gekomen, dat u verstrooid zult worden, ieder naar het zijne, en u Mij alleen zult laten; en toch ben Ik niet alleen, omdat de Vader met Mij is. (TELOS)

Lu 22:31 Simon, Simon, zie, de satan heeft dringend verlangd u allen te mogen ziften als de tarwe; Lu 22:32 Ik heb echter voor jou gebeden dat je geloof niet zou ophouden; en jij, als je eens bekeerd bent, versterk je broeders. (TELOS)

De val kan bestaan in het weglopen en de teleurstelling, de twijfel over Jezus' messiasschap, misschien zelfs schaamte. Wanneer zij zouden zien dat hun Meester verraden werd door een uit hen en de hoofdmannen Hem bonden en wegleidden als een kwaaddoener, wil onze Heer zeggen, dat zij met zo’n schrik en vreze zullen aangedaan worden, dat elk van hen Hem zou verlaten en weglopen, om voor eigen veiligheid te zorgen, ja, dat zij zich aan dat onverwacht voorval zodanig zouden ergeren, dat zij bij zichzelf in twijfel zouden geraken of Hij de Messias was, zoals de twee discipelen, die naar Emmaüs gingen, te kennen schijnen te geven ("Wij echter hoopten dat Hij Degene was die Israel zou verlossen; maar al met al is het nu al de derde dag sinds dit is gebeurd." - Luc 24:21); en dat hun geloof in Hem zou gewankeld hebben, als Hij niet voor hen had gebeden, zoals Hij voor Petrus gedaan had. Want de leerlingen dachten tot nog toe aan niets anders dan aan een aards koninkrijk, dat zij nu meenden dat in korte tijd opgericht zou worden; maar toen de zaken zo’n keer namen, kon dat niet anders dan grote verbijstering in hen teweeg brengen. En dit zou het geval zijn, niet alleen bij een of twee van hen, maar bij allen.[1] Petrus, die beweerde nooit ten val te zullen komen en de Heer geenszins te zullen verloochenen (26:33-35), zou hem drie maal verloochenen. De discipelen geloofden de vrouwen niet die kwam getuigen dat Jezus was opgestaan. Thomas geloofde pas aan de opstanding van zijn Heer toen hij de Heer zelf zag en aanraakte. Toen stond de 'ongelovige Thomas' na zijn val zelf weer op:

Joh 20:28 Thomas antwoordde en zei tot Hem: Mijn Heer en mijn God! (TELOS)

Joh 16:20 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u dat u zult wenen en weeklagen, maar de wereld zal zich verblijden; u zult bedroefd zijn, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden. (TELOS)

Matth. 26:37

Mt 26:37 En Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeus mee en begon bedroefd en zeer beangst te worden. (TELOS)

Bedroefd. Zijn blijdschap werd verdrongen door droefheid, ja, grote droefheid ('zeer bedroefd', vers 38). Diezelfde avond was er nog blijdschap in Hem geweest:

Joh 15:11 Dit heb Ik tot u gesproken, opdat mijn blijdschap in u is en uw blijdschap volkomen wordt. (TELOS)

Joh 17:13 Maar nu kom Ik tot U en spreek dit in de wereld, opdat zij mijn blijdschap volkomen hebben in zichzelf. (TELOS)

Ondanks zijn droefheid zag de Heer op de toekomstige vreugde:

Heb 12:2 terwijl wij zien op Jezus, de overste leidsman en de voleinder van het geloof, die om de vreugde die voor Hem lag, het kruis heeft verdragen, terwijl Hij de schande heeft veracht, en die is gaan zitten aan de rechterzijde van de troon van God. (TELOS)

En David zei van de Messias en zijn opstanding:

Hnd 2:28 U hebt mij de wegen van het leven bekend gemaakt; U zult mij met blijdschap vervullen bij uw aangezicht’. (TELOS)

Dat uitzicht op die vreugde, dat grote loon in de hemel, heeft Hem nooit verlaten.

Lu 6:22 Gelukkig bent u wanneer de mensen u haten en wanneer zij u uitstoten en smaden en uw naam als slecht verwerpen ter wille van de Zoon des mensen. Lu 6:23 Verblijdt u op die dag en springt op van vreugde, want zie, uw loon is groot in de hemel; want op dezelfde wijze deden hun vaderen met de profeten. (TELOS)

Ook de leerlingen zouden bedroefd worden en later weer blij:

Joh 16:20 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u dat u zult wenen en weeklagen, maar de wereld zal zich verblijden; u zult bedroefd zijn, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden. (...) Joh 16:22 Ook u hebt dan nu wel droefheid; maar Ik zal u weerzien en uw hart zal zich verblijden en niemand neemt uw blijdschap van u weg. (TELOS)

Zeer beangst. Vanwege de dingen die over Hem zouden komen. Zijn ontzag voor God de Vader, zijn zender, en de vreugde die vóór hem lag, deden hem echter voortgaan naar het kruis in plaats van te vluchten.

Mt 10:28 En weest niet bang voor hen die het lichaam doden maar de ziel niet kunnen doden, maar weest veeleer bang voor Hem die zowel ziel als lichaam kan verderven in de hel. (TELOS)

Zijn angst was groot, zijn droefheid ook. Want Hij begon 'zeer bedroefd' te worden, getuige het volgende vers.

Matth. 26:44

Mt 26:44 En Hij verliet hen, ging opnieuw weg en bad voor de derde keer, terwijl Hij opnieuw hetzelfde woord sprak. (TELOS)

De derde keer. Drie keer uitte Hij zijn benauwdheid en telkens onderwierp hij zich aan Gods wil. Hoe groot moet zijn innerlijke worsteling zijn geweest! Grote droefheid ('zeer bedroefd tot de dood toe', vs. 38), grote angst ('zeer beangst', vs. 37). Maar daarbij een grote ijver voor Gods huis.

Joh 2:17 Zijn discipelen herinnerden zich dat er geschreven staat’: De ijver voor uw huis zal mij verteren’. (TELOS)

Het was Zijn voedsel om de wil van de Vader te doen.

Joh 4:34 Jezus zei tot hen: Mijn voedsel is, dat Ik de wil doe van Hem die Mij heeft gezonden en zijn werk volbreng. (TELOS)

Voetnoot

  1. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Matth. 26:31 is deels, onder wijziging, verwerkt.