Evangelie naar Mattheüs/Commentaar/Hoofdstuk 8

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Oude Testament: Ge Ex Le De Jo Ri Ru 1Sa 2Sa 1Ko 2Ko 1Kr 2Kr Ezr Ne Es Job Ps Sp Pr Hgl Jes Jer Kla Eze Da Hos Joë Am Ob Jon Mi Na Hab Zef Hag Za Mal
Nieuwe Testament: Mat Mar Luk Joh Hand Rom 1Kor 2Kor Gal Ef Flp Col 1Th 2Th 1Tim 2Tim Tit Flm Heb Jak 1Petr 2Petr 1Joh 2Joh 3Joh Jud Opb

Evangelie naar Mattheüs:


Hoofdstuk 8 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Matth. 8:1-4 Reiniging van een melaatse

Voordat de Heer zijn 'bergrede' (Matth. 5-7) hield, was hij in heel Galilea rondgetrokken, terwijl hij het evangelie van het koninkrijk van God predikte en "elke ziekte en elke kwaal onder het volk genas" (Matth. 4:23). Het gerucht van Hem ging uit tot in heel Syrië en vele menigten volgen hem. Nadat hij zijn bergrede tot zijn leerlingen had gehouden, kwam een melaatse naar hem toe (Matth. 8:1v; Mark. 1:40v; Luk. 5:12-15).

Matth. 8:2

Mt 8:2  En zie, een melaatse kwam naar Hem toe en huldigde Hem en zei: Heer, als U wilt, kunt U mij reinigen. (Telos)

Een melaatse kwam naar Hem toe. Melaatsen moesten op minstens twee meter afstand blijven[1]. Of deze melaatse dat deed, weten we niet.

Heer, als U wilt, kunt U mij reinigen. De melaatse belijdt zijn geloof in de wondermacht van de Heer.

Hij zegt niet: 'kun u mij genezen'. Reinigen gaat verder dan genezen: gezond èn rein voor God worden.

Matth. 8:3

Mt 8:3  En Hij strekte zijn hand uit, raakte hem aan en zei: Ik wil, word gereinigd! En terstond werd hij van zijn melaatsheid gereinigd. (Telos)

Hij strekte zijn hand uit, raakte hem aan. Uit Joodse bronnen weten wij hoe rabbi’s, leermeesters, in de tijd reageerden op melaatsen. De éne rabbi gooide stenen naar een melaatse, om hem maar op afstand te houden. Een andere leermeester verstopte zich. Een derde rabbi maakte zich snel uit de voeten, hij rende weg. Zij wilden niet onrein worden.[1] Een rabbi in de tweede eeuw, rabbi Meir, zei: ‘Ik eet géén ei als dat gekocht is in een straat waar een melaatse rondloopt.’[2]

Dat de Heer de melaatse aanraakt, heeft deze wellicht als een tastbaar teken van ontferming ervaren. Iedereen die gezond was meed een melaatse, maar de Heer strekte zijn hand uit en raakte hem aan.

Als een mens iets onreins van een naaste aanraakte, was hij volgens de wet van Mozes schuldig en moest daarom een schuldoffer brengen (Lev. 5:3v).

Le 5:3  Of als hij iets onreins van een mens aanraakt, wat voor onreins van hem het ook is, waardoor hij onrein wordt, [ook] al is het voor hem verborgen gebleven, en hij het [later] te weten komt, dan is hij [toch] schuldig. (HSV)

Heeft de Heer iets onreins, bijvoorbeeld een aangetast stuk huid aangeraakt? Dat weten we niet. Wonderbaarlijk is vooral dat de melaatse terstond werd genezen.

Terstond werd hij van zijn melaatsheid gereinigd. De Heiland had de macht om melaatsen te genezen.

Matth. 8:4

Mt 8:4  En Jezus zei tot hem: Let erop dat u niemand iets zegt; maar ga heen, toon u aan de priester en offer de gave die Mozes heeft geboden, hun tot een getuigenis. (Telos)

Toon u aan de priester. De priester moest - volgens de wet van Mozes - beoordelen of de melaatse genezen was. Diens reinverklaring moest gebeuren op de wijze voorgeschreven in Lev.14:2vv..

Offer de gave. Daarna op de achtste dag, wanneer de reinverklaring gevolgd is, moest hij in de tempel te Jeruzalem de gave brengen die Mozes in Lev.14:10vv. geboden heeft.

Hun tot een getuigenis. De bevinding dat de melaatse rein was geworden zou strekken hun tot een getuigenis, een getuigenis aan de priesters en levieten en andere mensen in Jeruzalem. Wanneer zij zouden vernemen, door wiens kracht de melaatse gezond was geworden en tevens zien, hoe de melaatse zich op Jezus' uitdrukkelijke aanwijzing aan de wettelijke bepaling in alle stukken onderwierp, zouden zij overtuigd (kunnen) worden, dat Jezus inderdaad en in waarheid de Messias is, en dat hij niet was gekomen, om de wet te ontbinden maar om die te vervullen.[3] De genezen melaatse was een levend bewijs van Jezus' macht en goddelijke zending.

Let erop dat u niemand iets zegt. De melaatse gehoorzaamde het gebod van de Heer, om niet rond te vertellen dat hij was gereinigd, echter niet. Markus verhaalt:

Mr 1:45  Maar toen hij was weggegaan, begon hij het zeer te verkondigen en de zaak te verbreiden, zodat Jezus niet meer openlijk in de stad kon komen; maar Hij was buiten in woeste plaatsen; en zij kwamen naar Hem toe van alle kanten. (Telos)

Het was alsof het lot van de melaatse was overgedragen op dat van de Heer. De melaatse kon weer onder de mensen verkeren, maar de Heer kon niet meer openlijk in de stad komen en was buiten de woeste plaatsen, waarheen de Heer zich terugtrok en bad (Luk.5:16). Hij kon niet meer openlijk in de stad komen, omdat terstond massa's menigten mensen om hem samendromden om hem te horen en van ziekten genezen te worden (Luk. 5:15).

De Heer heeft de ziekten gedragen van de lijdenden die hij genas.

Mt 8:16  Toen het nu avond was geworden, brachten zij tot Hem vele bezetenen, en Hij dreef de geesten uit met een woord en Hij genas alle lijdenden, Mt 8:17  opdat vervuld werd wat gesproken is door de profeet Jesaja, die zei: ‘Hijzelf heeft onze zwakheden op Zich genomen en onze ziekten gedragen’. (Telos)

Als de melaatse het in de wet van Mozes voorgeschreven reinigingsritueel (Lev. 14) heeft gevolgd, zijn er in Jeruzalem offers gebracht. Het feit van de wonderbare genezing van een melaatse en van zijn reiniging is ook daar bekend geworden. Na de geschiedenis van deze reiniging schrijft Lukas:

Lu 5:17 En het gebeurde op een van die dagen dat Hij leerde, en er zaten farizeeën en wetgeleerden, die uit elk dorp van Galilea en Judea en van Jeruzalem bijeen gekomen waren, en er was kracht van de Heer om gezond te maken. (Telos)

De farizeeën en wetgeleerden zaten daar om Jezus te observeren. Een enkele farizeeër zal Hem erkennen:

Joh 3:1  Nu was er een mens uit de farizeeën, zijn naam was Nicodemus, een overste van de Joden; Joh 3:2  deze kwam ‘s nachts bij Hem en zei tot Hem: Rabbi, wij weten dat U van God bent gekomen als leraar; want niemand kan deze tekenen doen die U doet, tenzij God met hem is. (Telos)

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 René van Loon, Levend bewijs! Rotterdam: Opstandingskerk, 7 jan. 2018. Preek naar aanleiding van Leviticus 13: 45-46 en 14: 1-20 en Mattheüs 7:28 - 8:4 (kerntekst: 8: 4). Pdf-document op Samaritaan.org
  2. Aangehaald in: René van Loon, Levend bewijs! Rotterdam: Opstandingskerk, 7 jan. 2018. Preek naar aanleiding van Leviticus 13: 45-46 en 14: 1-20 en Mattheüs 7:28 - 8:4 (kerntekst: 8: 4). Pdf-document op Samaritaan.org
  3. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Matth. 8:4. Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 11 okt. 2020.