Evangelie naar Mattheüs/Samenvatting

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Deze pagina geeft een samenvatting van het boek Evangelie naar Mattheüs per hoofdstuk.

Het geslachtsregister begint met Abraham, in tegenstelling met dat in Lucas, dat teruggaat tot Adam, omdat in dat evangelie de Heer wordt gezien als verbonden met de mens, dat wil zeggen, als het zaad van de vrouw. In Matteüs lezen we: Hij "zal zijn volk redden van hun zonden", en alleen in dit evangelie wordt de profetische naam Immanuël, 'God met ons', aangehaald. Hier alleen is de geschiedenis van de wijzen uit het Oosten opgetekend, die op zoek waren naar de 'koning van de Joden'; alsook de vlucht naar Egypte en de moord op de kinderen in Bethlehem. De wijzen kwamen niet toen Jezus geboren werd, maar toen Hij geboren was (Matth 2:1), ze arriveerden enige maanden na de geboorte van de Koning der Joden. Christus wordt geroepen uit Egypte, aldus deelnemend aan de geschiedenis van de Israël, Gods eerstgeboren zoon (Ex. 4:22). De Messias wordt afgewezen, het gelovig overblijfsel (in voorafbeelding) komt tot wenen (Matt. 2:17, 18).

Mattheus 3-4: Het overblijfsel wordt afgescheiden door de prediking van Johannes. De Messias plaatst zich bij hen aan de Jordaan en laat zich dopen, ten einde 'alle gerechtigheid te vervullen' (Matth. 3:15). God getuigt van Zijn Zoon. Door de Geest geleid, overwint hij Satan, en dan roept hij het overblijfsel tot zich.

In Mattheüs 5-7 worden de beginselen van de leer van Christus grotendeels ontvouwd, in tegenstelling tot de overlevering van de ouden. Zijn onderwijs raakt de bronnen van het kwaad, en veroordeelt de beginselen van geweld en bederf. Het karakter van God Zelf wordt de regel voor de wandel van de volgelingen. De poort is eng en de weg is smal, die tot het leven leidt, en maar weinigen (het overblijfsel) vonden die.

Mattheus 8-9 toont de knecht van de HEER - in de vervulling van Jesaja 53:1 en Psalm 103:3 - en Zijn dienst, die eindigt met het doen opstaan van de dochter van de overste, een gebeurtenis die de opstanding ​van Israël voorafbeeldt.

Christus gaat verder met Zijn werk der prediking van het evangelie van het koninkrijk, leert in de synagogen, geneest de zieken, drijft demonen uit en stelt de huichelarij van de leiders der Joden aan de kaak.

In Mattheüs 10 Jezus neemt de plaats in van de Heer van de oogst, en zendt de twaalf apostelen met een opdracht die zich beperkt tot de verloren schapen van het huis Israëls.

In Mattheüs 11 toont Christus de superioriteit van het koninkrijk der hemelen ten opzichte van de profetische bediening die eindigde met Johannes de Doper, en tevens de superioriteit van de openbaring van de Vader ten opzichte van Christus' eigen machtige werken, die niet tot berouw hadden geleid.

In Mattheüs 12 worden de bijzondere banden verbroken die in zijn komst naar het vlees gevormd waren.

In Mattheüs 13 openbaart Christus zich als de Zaaier, in welke hoedanigheid hij al die tijd gehandeld had. Hij geeft een aantal gelijkenissen aangaande de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen. Ten eerste, hoe "het woord van het koninkrijk" werd ontvangen, en welke verschillende obstakels er in de wereld zijn. Vervolgens vertelt de Heer hoe, door het werk van de vijand, valse belijders zouden opkomen in het koninkrijk, en hoe in het koninkrijk kwade beginselen zouden worden ingevoerd, die ongemerkt zou werken.

De eerste vier van de zeven gelijkenissen werden gesproken tot het volk. De gelijkenis van de dolik onder de tarwe komt alleen in het Mattheüsevangelie voor. In huis verklaart de Heer aan zijn leerlingen de gelijkenis van het onkruid. Hij spreekt over de voltooiing van de eeuw en over het oordeel waarmee de Zoon des mensen door middel van engelen uit Zijn Koninkrijk zal wegdoen al de struikelblokken en degenen die onrecht doen.

De laatste drie gelijkenissen worden alleen gesproken tot de discipelen en komen alleen in het Mattheüsevangelie voor. Ze spreken van het geheime doel van het koninkrijk. Christus koopt het veld met het oog op de schat daarin verborgen, en ook koopt hij de parel van grote waarde om de waarde ervan in Zijn oog. Het net van het evangelie verzamelt goed en slecht, maar aan het einde van het tijdperk zal een schiftend oordeel de bozen uit het midden van de rechtvaardigen afscheiden.

Christus gaat door met Zijn werk van genade, niettegenstaande de verwerping door de leiders van Israël. Wanneer Petrus door de openbaring van de Vader in Mattheüs 16 de Heer Jezus als de Christus en de Zoon van de levende God heeft beleden, verkondigt de Heer dit als de basis van de gemeente die Hij zal bouwen. De macht van het dodenrijk zal Zijn gemeente niet overweldigen. Hij geeft aan Petrus de sleutels van 'het koninkrijk der hemelen". Deze uitdrukking is typisch voor het Mattheüsevangelie en wendt de ogen van de discipelen naar de hemel als de bron van licht en gezag, in tegenstelling tot een koninkrijk vanuit een aards centrum, Sion, (vgl. Rom. 11:26). Na de belijdenis van Petrus kondigt de Heer zijn lijden, dood en opstanding aan (Matth. 16:21v). Hij spreekt ook van zijn wederkomst in de heerlijkheid van zijn Vader, om aan een ieder een beloning te geven. De gelijkenissen gaan over de verborgen vorm van het koninkrijk, maar sommige leerlingen ontvingen al een glimp van het koninkrijk geopenbaard in heerlijkheid, toen Jezus op de berg voor hun ogen veranderd werd (Matth. 16:28-17:8).

In Mattheüs 18 onderwijst de Heer over de orde en omgang in het koninkrijk, onder meer de behandeling van een broeder die zondigt. Weer spreekt hij van de gemeente en haar gezag, hoewel zij nog toekomstig was. Hij voegt de prachtige verklaring toe over zijn aanwezigheid te midden van de enkele leerlingen die tot zijn naam vergaderd zouden zijn, een plaats die zedelijk-geestelijk ver af was van de toen bestaande tempel en priesterschap. "Waar twee of drie vergaderd zijn tot Mijn naam, daar ben ik in het midden van hen".

De Heer ging verder, in de gelijkenis van de koning die rekeningschap vroeg van Zijn dienaren, om Zijn discipelen te leren dat het noodzakelijk is elkaar te vergeven, anders zouden ze onder de tuchtigende hand van Zijn Vader komen. Verderop toont de Heer in de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard Zijn soevereiniteit in de beloning. Beide gelijkenissen komen alleen in het Mattheüs voor. De Heer kondigt Zijn discipelen aan wat hem wachtte, en leert hen zijn voorbeeld te volgen (Matt. 20:27-28).

(wordt vervolgd)