Genesis/Hoofdstuk 28

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Genesis:


Hoofdstuk 28 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Izak zendt Jakob met een zegen weg naar Paddan-Aram, om daar een vrouw uit de dochters van Laban te nemen (1-5). Daarop neemt Ezau ook uit een vrouw uit de familie: Mahalath, een dochter van Ismaël (6-9). God verschijnt aan Jakob in een droom en belooft hem vijf zaken (10-15). Daarop stelt de steen waarop hij met zijn hoofd gelegen heeft tot een opgericht teken, giet er olie bovenop, noemt de plaats 'Huis Gods' (Beth-El) en belooft God een gelofte (16-22).

Gen. 28:9

Ge 28:9 Zo ging Ezau tot Ismael, en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen, Mahalath, de dochter van Ismael, den zoon van Abraham, de zuster van Nebajoth. (SV)

Tot Ismaël. Tot diens huis, want Ismaël zelf was al 14 jaar dood.

Ge 25:17 En dit zijn de jaren des levens van Ismael, honderd zeven en dertig jaren; en hij gaf den geest, en stierf, en hij werd verzameld tot zijn volken. (SV)

Dus het gaan om de nakomelingschap van Ismaël.

Mahalath. Mahalath = Zij heeft gezongen. Ezau nam een vrouw uit de familie van zijn vader, Jacob uit de familie van zijn moeder.

Nebajoth. De oudste zoon van Ismaël.

Gen. 28:12

Ge 28:12 En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan den hemel raakte; en ziet, de engelen Gods klommen daarbij op en neder. (SV)

Het opklimmen en neerdalen van de engelen doet denken aan wat de Heer Jezus tegen Nathanaël zei:

Joh 1:49 (1-50) Nathanael antwoordde Hem: Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent de koning van Israel. Joh 1:50 (1-51) Jezus antwoordde en zei tot hem: Omdat Ik je gezegd heb: Ik zag je onder de vijgeboom, geloof je? Je zult grotere dingen zien dan deze. Joh 1:51 (1-52) En Hij zei tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je: Je zult van nu aan de hemel geopend zien en de engelen van God opstijgen en neerdalen op de Zoon des mensen. (TELOS)

Het is alsof de Heer zegt: ik ben de ladder, de verbinding tussen aarde en hemel. Elders heeft Hij gezegd: "Ik ben de Weg".

Reizen van Jacob (Access Foundation).jpg

Gen. 28:13-15 Gods belofte

God belooft Jacob een vijftal zaken:

  1. land (13)
  2. een rijk nageslacht (14)
  3. zegen voor de wereld (14)
  4. bijstand en bescherming van Godswege (15)
  5. terugkomst in het beloofde land (15)

Gen. 28:22

Ge 28:22 En deze steen, dien ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis Gods wezen, en van alles, wat Gij mij geven zult, zal ik U voorzeker de tienden geven! (SV)

Steen. De steen is vermoedelijk een zinnebeeld van Christus, de rots, het fundament van het Godsgebouw, de gemeente. Er was olie op gegoten (vs. 18). Jacob rustte op de steen en zag de hemel geopend.