Grimmigheid

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Grimmigheid is volgens Van Dale (1961)[1] heftige toorn, verbolgenheid. Met betrekking tot God betekent “grimmigheid” volgens Van Dale: heilige verontwaardiging, kennelijk om aan te geven dat de toorn van God zonder enige verkeerdheid is.

Grimmigheid kan onmatig zijn.

Spr 19:19 Die groot is van grimmigheid, zal straf dragen; want zo gij [hem] uitredt, zo zult gij nog moeten voortvaren.

Vergelijk de Herziene Statenvertaling:

Spr 19:19 Wie door het dolle heen is, moet daarvoor boeten, want als u hem ervan redt, moet u daarmee nog doorgaan. (HSV)

Grimmigheid bij God. Bij God kan grimmigheid opgewekt worden. De stad Jeruzalem was Hem tot grimmigheid (2 Kron. 34:24v; Jer. 32:31).

Jer 32:31 Want deze stad is Mij tot Mijn toorn en tot Mijn grimmigheid geweest, vanaf de dag dat zij haar gebouwd hebben tot op deze dag, zodat Ik haar moet wegdoen van voor Mijn aangezicht, (HSV)

Uitgieten kan God zijn grimmigheid door de hand van mensen.

2Kr 12:7 Als nu de HEERE zag, dat zij zich verootmoedigden, geschiedde het woord des HEEREN tot Semaja, zeggende: Zij hebben zich verootmoedigd, Ik zal hen niet verderven; maar Ik zal hun in kort ontkoming geven, dat Mijn grimmigheid over Jeruzalem door de hand van Sisak niet zal uitgegoten worden. 2Kr 12:8 Doch zij zullen hem tot knechten zijn, opdat zij onderkennen Mijn dienst, en den dienst van de koninkrijken der landen. (SV)

De grimmigheid van God is een vuur gelijk.

2Kr 34:25 Daarom dat zij Mij verlaten, en anderen goden gerookt hebben, opdat zij Mij tot toorn verwekten met alle werken hunner handen; zo zal Mijn grimmigheid uitgegoten worden tegen deze plaats, en niet uitgeblust worden. (SV)

Heb 12:29 Immers onze God is een verterend vuur. (TELOS)

Meer informatie

Vergelijk art. Gramschap

Voetnoot

  1. Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, 1961.