Hazaël

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Mogelijke afbeelding van Hazaël.

Hazaël (= 'wien God ziet'), of naar de Hebreeuwse uitspraak Chazaël, was koning van Syrië. Hij was de opvolger van Benhadad, 1 Kon. 19: 15, 17.

Zijn naam betekent 'wien God ziet', van het Hebreeuwse werkwoord chazob = zien en van het Hebreeuwse naamwoord El = God. In de uitspraak van de naam ligt de klemtoon op de laatste lettergreep -ël.

Hij zocht de profeet Elisa op, omdat zijn heer Benhadad II, de koning van Syrië, ziek was. Elisa kondigde hem, nog bij het leven van Benhadad, het koningschap aan, 2 Kon. 8:12, 13.

Hazaël ontmoet Elisa

2Kon 8:8 Toen zeide de koning tot Hazael: Neem een geschenk in uw hand, en ga den man Gods tegemoet; en vraag door hem den HEERE, zeggende: Zal ik van deze krankheid genezen? 2Kon 8:9 Zo ging Hazael hem tegemoet, en nam een geschenk in zijn hand, te weten, alle goed van Damaskus, een last van veertig kemelen; en hij kwam, en stond voor zijn aangezicht, en zeide: Uw zoon Benhadad, de koning van Syrië, heeft mij tot u gezonden, om te zeggen: Zal ik van deze krankheid genezen? 2Kon 8:10 En Elisa zeide tot hem: Ga, zeg, gij zult ganselijk niet genezen; want de HEERE heeft mij getoond, dat hij den dood sterven zal. 2Kon 8:11 En hij hield zijn gezicht staande, en zette het vast tot schamens toe; en de man Gods weende. 2Kon 8:12 Toen zeide Hazael: Waarom weent mijn heer? En hij zeide: omdat ik weet, wat kwaad gij den kinderen Israëls doen zult; gij zult hun sterkten in het vuur zetten, en hun jonge manschap met het zwaard doden, en hun jonge kinderen verpletteren, en hun zwangere vrouwen opensnijden. 2Kon 8:13 En Hazael zeide: Maar wat is uw knecht, die een hond is, dat hij deze grote zaak doen zou? En Elisa zeide: De HEERE heeft mij getoond, dat gij koning zijn zult over Syrië. 2Kon 8:14 Zo ging hij weg van Elisa, en kwam tot zijn heer, die tot hem zeide: Wat heeft Elisa tot u gezegd? En hij zeide: Hij heeft tot mij gezegd: Gij zult zekerlijk genezen. 2Kon 8:15 En het geschiedde des anderen daags, dat hij een deken nam, en in het water doopte, en over zijn aangezicht uitspreidde, dat hij stierf; en Hazael werd koning in zijn plaats. (SV)

Hij, koning geworden, sloeg de Israëlieten, onder de regering van Joram, Jehu en Joähaz, 2 Kon. 8: 28; 10: 32; 13: 3, 7, en bevestigde het smartelijk voorgevoel van de profeet Elisa, toen hij hem het koningschap aankondigde. Hij wilde, onder de regering van Joas, tegen Jeruzalem optrekken; doch aanzienlijke geschenken hielden hem terug, 2 Kon. 12: 18v. Later viel hij echter in het lsraëlitsche rijk en plunderde de hoofdstad, 2 Kron. 24: 23.

950 - 850 v.C. < Israël 850 - 750 v.C.[1] > 800 - 700 v.C.
ZachariaJerobeam IIUzziaAmaziaBenhadadJoas (koning van Israël)JoahazJoas (koning van Juda)AthaliaAhazia (koning van Juda)JehuHazaëlJoram (koning van Juda)Joram (koning van Israël)Josafat

Hazaël werd opgevolgd door zijn zoon Benhadad III.

Bron

S.J. van Ronkel, Woordenboek der eigennamen, naar hunne eerste spelling en oorspronkelijke uitspraak met eene korte beschrijving de personen, landen en plaatsen, in het Oude Testament voorkomende, en voor het grootste gedeelte ook etymologisch behandeld. (Groningen: M. Smit, 1835) s.v. Hazaël. Hieruit is op 6 okt. 2017 tekst genomen en verwerkt. Van Ronkel was hoofdonderwijzer aan een Joodse school en beëdigd vertaler.

Voetnoot

  1. De jaartallen zijn meerendeels ontleend aan Bijbels ontstaansmodel; tijdbalk Masoreten (Stichting De Oude Wereld, 2009).