Hebreeënbrief/Hoofdstuk 2

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Hoofdstuk 2 van het Bijbelboek Hebreeënbrief wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Hebr. 2:9

Heb 2:9 maar wij zien Jezus, die een weinig minder dan de engelen gemaakt was vanwege het lijden van de dood met heerlijkheid en eer gekroond, opdat Hij door de genade van God voor alles de dood smaakte. (TELOS)

Weinig minder dan de engelen gemaakt. Om als mens de dood te smaken.

Lijden ... heerlijkheid. Van lijden tot heerlijkheid. Hiervan spreken ook:

Lu 24:26 Moest de Christus dit niet lijden, en zo in zijn heerlijkheid binnengaan?

Flp 2:8 En uiterlijk als een mens bevonden heeft Hij Zichzelf vernederd, gehoorzaam wordend tot de dood, ja, tot de kruisdood.

Flp 2:9 Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam geschonken die boven alle naam is,

Hebr. 2:10

Heb 2:10 Want het paste Hem, om Wie alle dingen zijn en door Wie alle dingen zijn, dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te leiden, de overste leidsman van hun behoudenis door lijden volmaakte. (TELOS)

Leidsman. Gr. αρχηγος archegos; betekenissen[1]: 1) de voornaamste leider, vorst; 1a) van Christus; 2) iemand die de leiding in iets neemt en zo een voorbeeld geeft, een voorganger, pionier; 3) de auteur, maker.

Door lijden volmaakte. Hij moest de dood smaken (vers 9), "het lijden van de dood" (2:9) ondergaan.

Hebr. 2:11

Heb 2:11 Want en Hij die heiligt en zij die geheiligd worden, zijn allen uit een; daarom schaamt Hij Zich niet hen broeders te noemen en zegt: (TELOS)

Broeders te noemen. De gelovigen noemt de Heer "broeders". Nergens in het Nieuwe Testament wordt de Heer door de gelovige "mijn broeder" of "onze broeder" genoemd. Het past ons niet, zeggen sommigen, om Hem "mijn broeder" of "onze broeder" te noemen. Hij blijft de eerstgeborene onder vele broeders. Vergelijk het onderscheid dat de Heer zelf maakt tegenover Petrus wanneer het gaat om het betalen van belasting: "voor u en mij" en niet "voor ons". En het onderscheid dat Hij maakt tegenover Maria van Magdala: "mijn Vader en uw Vader" (niet "onze Vader") en "mijn God en uw God" (niet "onze God").

Joh 20:17 Jezus zei tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren naar mijn Vader; maar ga heen naar mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader en naar mijn God en uw God. (TELOS)

Hebr. 2:13

Heb 2:13 En opnieuw: ‘Zie, Ik en de kinderen die God Mij gegeven heeft’. (TELOS)

De kinderen die God Mij gegeven heeft. Wij gelovigen zijn een gave van God aan Zijn Zoon. Hieruit mogen wij besluiten dat wij kostbaar zijn in hun ogen.

Hebr. 2:18

Heb 2:18 Want waarin Hijzelf geleden heeft toen Hij verzocht werd, kan Hij hun die verzocht worden te hulp komen. (TELOS)

Te hulp komen. Hier wordt het Griekse werkwoord βοηθεω, boetheo, gebruikt. De betekenis is: te hulp snellen, bijstaan, verdedigen[1]. Het woord is samengesteld uit boe = schreeuw en theo = rennen. De eigenlijke gedachte schijnt te zijn: iemand op zijn geroep te hulp snellen, zoals bijvoorbeeld een ouder een schreeuwend kind te hulp schiet.

Geleden. De Heer heeft gekend: angst, dorst, vermoeidheid, eenzaamheid, ziele- of hartepijn, lichamelijke pijn.

Voetnoot

  1. 1,0 1,1 Grieks-Nederlands Lexicon, onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia.