Hogepriester

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De hogepriester (of hoofdpriester) was in het oude Israël het hoofd van de priesters en Levieten en bekleedde de hoogste functie in het priesterdom. Hij was een mannelijke nakomeling van Aäron, de allereerste hogepriester. De hogepriester, de priesters en de Levieten waren allen uit de stam van Levi. Ex. 28, 29; Lev. 21 :10-15. In de tijd van het Nieuwe Testament was hij voorzitter van de Hoge Raad (Sanhedrin). De Heer Jezus werd verhoord door de hogepriester. 

Het Hebreeuwse woord voor hogepriester is Kohen Gadol (כהן גדול), letterlijk 'grote priester'. 

Verkiezing en opvolging

Al voor de verkiezing van de gehele stam Levi was daaruit het geslacht van Aäron tot de priesterlijke dienst afgezonderd. Aäron zelf was tot Hogepriester aangesteld.

Dit ambt was erfelijk in zijn geslacht, en de eerstgeborene van de oudste familietak was altijd Hogepriester, indien hij geen lichamelijk gebrek had, want de Hogepriester moest geheel zonder lichaamsgebreken zijn.

Aäron werd opgevolgd door Eleazar, zijn oudste (overgebleven) zoon, in wiens geslacht het hogepriesterschap bleef bestaan tot op Eli; vanaf toen, met Eli, ging het over op de nakomelingen van Aärons jongere zoon Ithamar, terwijl het met Zadok weer terugkeerde tot het geslacht van Eleazar; in dat geslacht bleef het Hogepriesterschap tot na de ballingschap. 

Van Aäron tot Simon II[1]
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Levi
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Kahath
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Amram
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Aäron
 
Eleazar
 
Pinehas
 
Abisua
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Bukki
 
Uzzia
 
Zerahja
 
Merajoth
 
Amarja
 
Ahitub
 
Zadok
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Ahimaaz
 
Azarja
 
Johanan
 
Azarja
10e eeuw vC
 
Amarja
 
Ahitub
 
Zadok
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Sallum
 
Hilkia
 
Azarja
 
Seraja
 
Jozadak
ca. 586vC
 
Jozua
 
Jojakim
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Eljasib
 
Jojada
 
Jonathan
 
Jaddúa
ca. 334 vC
 
Onias I
ca. 300 vC
 
Simon I
gest. 270 vC
 
Onias II
3e eeuw vC
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Simon II
ca. 219-190 vC
 

Ambtswijding

De Hogepriester werd tot zijn ambt gewijd door een plechtige wassing, de bekleding met het ambtsgewaad, de zalving met heilig olie, en het offeren van een var en twee rammen. 

Kleding 

De kleding van de hogepriester is beschreven in Ex. 28 en 39. Het voornaamste kledingstuk was de efod

Fig. Hogepriester bezig met reukwerk op het reukofferaltaar in het Heilige. © Copyright V. Gilbert & Arlisle F. Beers, bron: www.VisualBibleAlive.com

Zijn kleding bestond – behalve uit het wit linnen heupkleed, de lijfrok, de muts en de gordel, die ook alle priesters droegen – uit:

  • het uit één stuk geweven donkerblauw opperkleed zonder mouwen (de mantel des efods genoemd), dat van boven met een sierlijk omboord hoofdgat en van onderen met gouden schelletjes en wollen granaatappels was voorzien;
  • het vierkleurig schouderkleed of de efod, bestaande uit twee stukken, waarvan het ene de rug en het andere de borst en het bovenlichaam bedekte, die op de beide schouders aan elkaar waren verbonden door twee gouden ketentjes, met een in goud gevatte sadonyxsteen; op elk van deze stenen stonden de namen van 6 stammen van Israël gegraveerd. Om het middel werd de efod vastgehouden door een gordel of band, van dezelfde stof bewerkt als de efod zelf, die de kunstige riem des efods wordt genoemd.
  • het borstsieraad of de borstlap, een uit dezelfde stof als de efod gemaakte en dubbel dichtgevouwen vierkante lap, met gouden ringen aan de vier hoeken, aan de efod vastgehecht door gouden ketentjes in de twee bovenste, en door hemelsblauwe snoeren in de twee onderste.  Aan de voorkant waren 4 x 3 edelstenen, in goud gevat, elk met de naam van een stam. De Hogepriester droeg op deze manier al de stammen Israëls èn op zijn schouders, èn op zijn hart. De edelgesteenten waren: smaragd, topaas, sardis (korneool of kornalijn), karbonkel (Indische robijn), saffier, onyx (sardonyx), hyacint, agaath, amethist, chrysoliet, beryl, en jaspis (Ex. 39 :10-13).  In dit borstsieraad werden waarschijnlijk de Urim en Tummim (dat is Lichten en Volmaaktheden) gedragen. Het gewone middel waardoor men in een plotseling opkomend voorval de Heere raadpleegde om Zijn wil te leren kennen. Hoe het goddelijk antwoord verkregen werd, weten wij niet, want de Urim en Tummim worden nergens nader beschreven, Ex. 28 :30, 1 Sam. 28 :6, Ezra 2 :63, Neh. 7 :65. 
  • de tulband, of muts in tulbandvorm; misschien de gewone priestermuts maar in onderscheid daarvan met een hyacintkleurige stof omwonden. Daaraan was van voren, boven het voorhoofd, een dunne plaat van zuiver goud vastgemaakt, waarop de woorden “Heiligheid den Heere” waren gegraveerd. 

Deze klederen droeg de Hogepriester steeds bij het verrichten van zijn dienst; alleen op de Grote Verzoendag, als hij het Heilige der Heiligen binnenging, droeg hij een geheel wit gewaad, volgens C. Lindeboom het kleed van de boeteling[2]

Zijn werk en bevoegdheid

Het werk van de Hogepriester was velerlei. Bij hem berustte het oppertoezicht over heel de eredienst en de priesterschap. De gewone priesterlijke werkzaamheden liet hij in de regel aan de priesters over, maar op sabbat- en feestdagen verrichtte hij die waarschijnlijk zelf.

Op de Grote Verzoendag mocht hij alleen het Heilige der Heiligen binnengaan met het offerbloed dat voor zijn en des volks zonden geplengd werd.

Hij mocht alleen door de Urim en Tummim de wil des Heeren raadplegen. Zo moest hogepriester Eleazar 'naar het oordeel van de urim' voor de volksleider Jozua de HEERE vragen.

Nu 27:21 En hij moet voor Eleazar, de priester, gaan staan, en die zal voor hem vragen naar het oordeel van de urim, voor het aangezicht van de HEERE. Op zijn bevel zullen zij uitgaan en op zijn bevel zullen zij ingaan, hij, en al de Israëlieten met hem, heel de gemeenschap.(HSV)

In rechtszaken, die door de Priesters moesten worden uitgevoerd, had de hogepriester de hoogste en de laatste uitspraak.

Voor alle onreinheid moest hij zich wachten; hij mocht bij geen lijk komen, nog veel minder dit aanraken, noch ten teken van rouw het hoofd ontbloten of zijn klederen scheuren. Hij mocht alleen een maagd uit Israël ter vrouw nemen, geen weduwe of een verstoten vrouw.

Na de ballingschap was hij ook voorzitter van het Sanhedrin. 

In de tijd van de Egyptische en Syrische overheersing was hij tevens een soort stadhouder.

Omstreeks 70 na Chr., nadat de stad Jeruzalem met de tempel was verwoest, werd het ambt van hogepriester opgeheven.

Hogepriesters in de N.T. tijd

In het Nieuwe Testament worden de volgende hogepriesters met name genoemd: Annas (Luc. 3:2; Joh. 18:13), Kajafas (Matth 26:3) en Ananias (Hand. 23:2). De hogepriester was tevens voorzitter van de Grote Raad (Sanhedrin).

Voorafbeelding van Christus

Deze Hogepriester was in heel zijn ambtelijke dienst, met name in zijn offeren, voorbidden en zegenen een voorbeeld en type van onze enige Hogepriester Jezus Christus, Hebr. 5 :1v.; echter niet in zijn sterven, zoals blijkt uit het verscheiden van Aäron, die vóór hij stierf, zijn ambtelijk gewaad en daarmee zijn ambt, moest overdragen aan zijn zoon, Num. 20 :26. 

Fig. In eenvoudige witte kledij (links) sprenkelde de hogepriester het bloed op het verzoekdeksel. In heerlijke kledij (rechts) kwam hij, na zijn volbrachte dienst, uit het heiligdom. De Heer Jezus verscheen de eerste maal 'zonder aanzien' (Jes. 53); de tweede maal zal Hij in heerlijkheid verschijnen en Israël zal in Hem geloven. 

Op de jaarlijkse Grote Verzoendag leidde de hogepriester de dienst in de tempel te Jeruzalem (Lev. 16). Hij offerde dan in het Heilige der Heiligen. Dat was de enige dag waarop hij het allerheiligste vertrek van de tempel mocht betreden om voor zichzelf en voor de zonden van het volk verzoening te doen.  

Nadat hij in het eenvoudige priestergewaad de offers had gebracht, kleedde de hogepriester zich om en kwam in zijn heerlijke hogepriesterlijke kledij naar buiten. Dit is een voorafschaduwing van de wederkomst van Christus in heerlijkheid. Want zo zal ook de Heer Jezus eens verschijnen, niet meer in de eenvoudige kledij van eerst ('geen gedaante noch heerlijkheid', Jes. 53:2), maar in grote heerlijkheid op de grote dag van de verzoening van Israël. 

Zac 12:10 Maar over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik de Geest van de genade en van de gebeden uitstorten. Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als [met] de rouwklacht over een enig [kind]; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene. (...) Zac 13:1 Op die dag zal er een bron geopend worden voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem tegen de zonde en tegen de onreinheid. (HSV)

Onze hogepriester Jezus

De Aäronitische hogepriester en de koning-priester Melchizedek zijn zinnebeelden of typen van de Heer Jezus. Onze Heer dien in het hemels heiligdom als hogepriester naar de orde van Melchizedek en geeft leiding geeft aan de tegenwoordige priesters van God op aarde.

Evenals Melchizedek is hij een koning-priester en brengt hij zegen.

Bronnen

John Kooy, Encyclopedie voor iedereen (Utrecht: W. de Haan, Deventer: Kluwer, 2e druk 1934) s.v. Hoogepriester. Hieruit is in febr. 2012 tekst verwerkt.

Frithiof Dahlby, Bijbels Woordenboek (Baarn: Bosch & Keuning, z.j.) s.v. Hogepriester.  

C. Lindeboom, Bijbelgids, of Handleiding tot het verkrijgen van Bijbelkennis (Middelburg: Stichting de Gihonbron, 2009; bewerking door J. Pluimers van de uitgave uit 1929), blz. 174-176. Hieruit is, onder toestemming, op 19 april 2014 tekst gebruikt.

Voetnoot

  1. De namen van Aäron t/m Jozadak zijn ontleend aan de geslachtslijst van 1 Kron. 6
  2. C. Lindeboom, Bijbelgids, of Handleiding tot het verkrijgen van Bijbelkennis (Middelburg: Stichting de Gihonbron, 2009; bewerking door J. Pluimers van de uitgave uit 1929), blz. 176.