Homo sapiens erectus

Uit Christipedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Homo sapiens erectus

Onze uitgangspunten

Hoe arrogant moet een bijbelgetrouw christen met zijn getuigenis wel niet zijn in de ogen van degene die van God en Zijn Woord in principe niet wil weten of gewoon onbekend daarmee is!

De dienst aan de enige ware God is voor de gelovige immers niet zo maar een vrijblijvende zaak. De hoofdzaken van het geloof zijn niet inwisselbaar voor andere religies of meningen. Het christelijk getuigenis is een getuigenis van feiten en niet van opties en misschientjes. Hoe bescheiden de boodschap van het Godsbestaan en van zonde en genade ook gebracht wordt, het roept bij velen al snel weerstand op. Te meer wanneer men merkt dat opvattingen die in strijd zijn met het Goddelijke Woord (de Bijbel) niet geaccepteerd worden.

Voor hen die niet vertrouwd zijn met de christelijke uitgangspunten, die de basis vormen voor een christelijk wereldbeeld (paradigma), volgen enkele voorbeelden van deze niet inwisselbare principia.

Het betreft o.a.:

het geloof in één almachtige God, Die als God alle eer en aanbidding toekomt.

het geloof dat Hij Zichzelf aan ons bekend maakt door Zijn schepping en door Zijn Woord.

het geloof dat de Bijbel een dossier is van op schrift gestelde Goddelijke bekendmakingen (Goddelijke openbaringen) met getuigenverklaringen als bewijs van waarheid

het geloof dat de Bijbel het enige boek is met Goddelijk gezag

het geloof dat God Zichzelf daarin openbaart als een Drie-een-heid van Vader, Zoon en Heilige Geest

het geloof dat het Goddelijk gezag zich uitstrekt over alles waarover de Bijbel zich uitspreekt

het geloof dat de Bijbel Waarheid is, omdat God almachtig is

het geloof dat wat voor de mens onmogelijk is, God mogelijk kan maken. Dankzij Zijn scheppingskracht kon Hij al het bestaande tot aanschijn roepen. Evenzo kan hij een verloren mensenkind verlossen uit de klauwen van satan en Zijn schepping vernieuwen. Zijn oordelen over de zonden van de mensen zijn waar, maar evenzo ook Zijn beloften van verlossing door het geloof in Jezus Christus als de beloofde Messias.

Schepping of evolutie

Het laat zich begrijpen dat het voor een bijbelgetrouw christen niet de vraag is of de moderne mens het resultaat is van een evolutie, of voortgekomen is uit het eerste door God volmaakt geschapen mensenpaar, Adam en Eva. Overeenkomstig de Bijbelse informatie is de scheppingsdaad van God niet anders dan een feitelijk gegeven (cq de schepping van Adam en Eva).

Het probleem is dat de wetenschappelijke wereld met betrekking tot de vraag naar de ontstaansgeschiedenis van het leven (en met name de mens) tot geheel andere conclusies komt.

Het wetenschappelijk 'bezig zijn' is gebonden aan duidelijke regels. Uitkomsten met de daaraan verbonden conclusies moeten verifiëerbaar zijn. Vooronderstellingen moeten zo nodig bijgesteld worden. Een allereerste (misschien ook wel voor hen logische) reactie van de zijde van de wetenschap op onze uitgangspunten is dat je voor de oplossing van een vraagstuk over (met name) een geschiedkundig gebeuren niet kunt beginnen met aan de Bijbel ontleende vooronderstellingen.

Met uitzondering van de medegelovigen die door middel van een andere interpretatie zoeken naar een 'tussenoplossing' voor het probleem 'schepping of evolutie', moet gesteld worden dat de onwil om de Bijbel te betrekken bij de geschiedenis van de mens en de aarde groot is. De belangrijkste vooronderstelling van hen die niet met het Goddelijke Woord willen rekenen, is, dat zij niet met God en Zijn Woord willen rekenen. De wetenschappelijke wereld heeft, als alternatieve vooronderstelling voor het geloof in een schepping door God, de evolutiegedachte aanvaard. In een tijd waarin men niet beter wist dat een cel niet meer was dan een soort 'druppeltje behangplaksel', klonk deze vooronderstelling wetenschappelijker, dan het in hun ogen sprookjesachtige verhaal van een scheppende God. Het tegendeel is echter waarheid gebleken.

Toeval bestaat niet

De wetenschap heeft enorme vorderingen mogen maken. Ook het onderzoek naar het functioneren van een levende cel, doet de onderzoeker van de ene in de andere verbazing vallen. De verwondering neemt alleen maar toe, wanneer men de interactie tussen de cellen en de regelmechanismen in het lichaam van een plant of dier (cq de mens) gaat onderzoeken.

Toen het allereerste leven op aarde ontstond, kan het niet anders zijn geweest dan dat duizenden en nog eens duizenden van 'toevalligheden' in één enig moment bij elkaar kwamen om het mechanisme van het leven in een schepsel tot stand te brengen, zodanig dat het schepsel een erfelijke aanleg had, interactie vertoonde binnen zijn cellen tussen de celker n en zijn omgeving, tussen de cellen onderling, tussen de organen onderling, enz., enz., enz., waardoor dat schepsel alle levensverschijnselen (ademhaling, voeding, erfelijkheid, voortplanting, e.d.) kon vertonen.

De conclusie dat dit alles zomaar een beetje toevallig tot stand is gekomen is in strijd met alle menselijke logica.

Het ontstaansproces van het leven moet een volkomen en volmaakt verloop hebben gehad. Ondenkbaar dat het beginnende leven met onvolkomenheden zich zou hebben kunnen handhaven. Of het nu een microscopisch klein celletje of een meercellig organisme betreft, er mocht niets aan mankeren. Het begin van een soort oog, of een niet functionerend soort kniegewricht, een beetje van dit of te veel van dat, het zou niet hebben gewerkt en niet hebben kunnen bestaan. Hetzelfde geldt voor de regelende systemen, zoals het zenuwstelsel, hormonenstelsel, voortplantingsstelsel, e.d.

Het ontstaan van het leven is niet te herleiden tot een soort toevalligheidje. De evolutiegedachte begint met het eenvoudige en wil eindigen met het gecompliceerde (zoals de regelmechanismen of de zintuigen), maar weet daarbij niet goed oorzaak en gevolg van het ontstaan daarvan logisch te beredeneren. Geleerde en intelligente mensen hebben voor de TV voor de vuist weg wel erg simpele en logisch klinkende verhaaltjes verteld als antwoord op de vraag waarom een beestje, zoveel miljoen jaar geleden, kon veranderen in een ander soort. Ze konden niet anders. Daarmee toonden ze wel aan dat het geloof in evolutie geen volwaardig alternatief is voor het geloof in een Scheppergod, waarvan ook kinderen getuigen (Ps. 8).

Almacht en wijsheid

Alleen Goddelijke almacht en wijsheid kan het leven tot stand brengen. Al zouden we van de Bijbel geen weet hebben, dan past ons nochtans slechts één conclusie: 'Dit is Gods Hand!' Zich beroepend op Zijn almacht, waarmee Hij alles schiep, eist God alle eer en aanbidding op (Job 38:4; Jesaja 40:26; Jeremia 10:11-12 en 27:5).

Het is logischer te geloven in de scheppingskracht van God, dan het ontstaan van het leven toe te schrijven aan toevalligheden.

De mens is geen dier

De Bijbel beschrijft ons niet alleen het ontstaan van aparte soorten organismen, maar vermeldt nog eens speciaal het ontstaan van het eerste mensenpaar. Duidelijk wordt aangegeven dat er een onoverbrugbare kloof is tussen mens en dier. Dit wordt benadrukt door het Bijbels gegeven dat Adam en Eva ontstaan zijn door een speciale scheppingsdaad van God. Daarbij waren zij geschapen naar het beeld van God. Adam en Eva kregen een zelfde lichaamsvor m als waarin de beloofde Zoon van God (Jezus Christus) Zich op aarde wilde vertonen, met de daarbij behorende kennis, gerechtigheid en heiligheid. De mens is de enige geschapen soort die in relatie staat met de enige ware God, of hij dat wil of niet, en aan Wie hij verantwoording schuldig is. Bovendien kregen Adam en Eva met hun nakomelingen een eeuwigheidsbestemming.

De soort 'mens' heeft volgens de Bijbel, en daarom ook in de christelijke antropologie, een zelfstandige plaats naast de overige schepselen, ondanks fysieke overeenkomsten met hen. Gemeenschappelijke kenmerken tussen planten, dieren en mensen laten zien dat ze allen uit de hand van één Schepper kwamen en allen reacties vertonen op het grote en complexe geheel van biotische en abiotische natuurwetten (invloeden, voortkomend uit de levende en levenoze natuur).

(zie het artikel op Christipedia of Christipedia miraheze: Schepping)

De australopithecinae

Volgens de gangbare wetenschap (in het vervolg: (vao) = volgens algemene opvatting/ zoals de wetenschap er momenteel over denkt) zou het menselijk geslacht zich ontwikkeld hebben uit een afsplitsing van een geslacht van aapmensen (australopitheken of australopithecinen). Dit zou hebben plaats gehad ca ruim 3,5 miljoen jaar geleden, toen Australopithecus afarensis op aarde rond liep (de naam australopithecus betekent 'zuidelijke aap’). Typische vertegenwoordiger van deze groep individuen is Lucy. Van haar is in Ethiopië (regio Afar, tussen Addis Abeba en Djibouti) een groot deel van het skelet gevonden. Zo ontbraken met name de handen en de voeten. Men schat de lengte op max 110 cm en de schedelinhoud op 375-minder dan 500 ml.; ontdekker Donald Johanson. De vondsten (aug 1978) van dezelfde ouderdom te Laetoli in Tanzania betreffen voetafdrukken in vulkanisch as, over een lengte van 70 meter. De afdrukken tonen de kenmerken van een normale menselijke voet (een geprononceerde hiel, grote teen in één lijn met de andere tenen, overlangse voetgewelf). Blijkbaar van een volwassen iemand met een kind. Omdat de leeftijd geschat wordt op 3.500.000 jaar, gaat men er automatisch van uit dat de voetafdrukken in ieder geval niet van Homo sapiens afkomstig kunnen zijn, maar van een Australopithecus afarensis die in staat was rechtop te lopen, een familielid van Lucy. Daaruit trok men de conclusie dat de Australopithecus afarensis een belangrijke schakel moet zijn geweest naar de ontwikkeling van de mens. 8)

Tijdgenoot van Australopithecus afarensis zou Australopithecus prometheus ('Little Foot') kunnen zijn, gevonden 1997 te Sterkfontein in Zuid-Afrika, ontdekker Dr. Ron Clarke.

Beenderresten van andere ondersoorten australopithecinen bleken van jongere datum te zijn en hebben (vao) geen rol meer gespeeld in de afstamming van de mens. Een uitzondering moet gemaakt worden voor het ondersoort Australopithecus anamensis. Dit ondersoort zou ouder zijn dan Australopithecus afarensis, waaruit de mens voortgekomen zou zijn. Men heeft van hen botscherven gevonden in Kenia en Ethiopië.

Tot de jongere ondersoorten rekent men o.a.:

Australopithecus africanus en Australopithecus aethiopicus (leefde vao tussen 3 en 2 miljoen jaar geleden); Australopithecus sediba

Australopithecus robustus en Australopithecus boisei (leefden vao tussen 2,3 en 1,4 miljoen jaar geleden)

In creationistische kring (zij, die in een schepping geloven) is men er van overtuigd van doen te hebben met uitgestorven apen.

Homo habilis

Jonathan Leaky vond ca 1961 botresten van, naar hij meende, een Australopithecus africanus. De schedelinhoud bleek groter. Zijn vader, Louis Leaky, noemde hem Australopithecus Habilis. Men (Louis Leaky, Philip Tobias en John Napier, Sterkfontein, Zuid Afrika 1964) heeft geprobeerd aan de hand van botresten het uiterlijk te reconstrueren van de eerste mensachtige op aarde. De reconstructie kreeg de naam van Homo habilis ('de handige mens'). Hoewel tussenschakels ontbraken, kon het (evolutionistisch, theoretisch gezien) niet anders zijn dan dat hij een afstamming moest zijn van Australopithecus afarensis. Hij had een schedelinhoud van 500-800 cc en zou de maker zijn van de zo genoemde Oldowanwerktuigen in Oost-Afrika, 1.800.000 jaar geleden, in het begin van het vroegpaleolithicum aldaar. Bernard Ngeneo ontdekte in 1972 bij het Turkanameer een in honderden stukjes gebroken schedel (vondst no 1470). Alan Walker en Meave Leaky reconstrueerden de schedel tot een Homo habilis-schedel.

De reconstructie tot het soort 'Homo habilis' berust echter op te veel aannames, gevoed door de wens om een overgangsvorm te hebben tussen mens en aap. De geestdrift en grote gedrevenheid van met name de familie Leaky, gekoppeld aan de behoefte om de 'ultieme' vondst te hebben gedaan, gaat achterdocht oproepen omtrent de reconstructie tot het soort 'Homo habilis'. 3)

'Veruit de meeste reconstructies van vroege mensen zijn gemaakt op basis van slechts enkele, vaak bij elkaar geraapte beenderen die van meerdere fossielen stammen. Dit is gedaan in de overtuiging dat er altijd een verband is tussen de werking en de vorm van het lichaam, waardoor een enkel voetbotje genoeg zou zijn om te bepalen hoe de rest van het wezen eruitzag.' (opm.: Wat dit laatste betreft, is men wat voorzichtiger geworden.)

'De goede fossielen zijn op één hand te tellen.' 2) blz. 12, 13

Homo sapiens erectus

Volgens algemene opvatting (vao) wordt de naam Homo sapiens sapiens gegeven aan alle mensen, zo ze hedendaags voorkomen. Zij zouden 300.000 jr geleden ontstaan zijn. Zij hadden de vaardigheid om vuursteenknollen te bewerken tot harde en scherpe artefacten (gebruiksvoorwerpen).

Men is enthousiast gaan zoeken naar menselijke resten. Iedere botsplinter was begrijpelijkerwijs belangrijk (en nog steeds). Gedreven door een verlangen om een bijdrage te leveren aan de afstamming van de mens, neigde men er toe de eigen vondst een aparte plaats in de reeks van schakels tussen Australopithecus afarensis en Homo sapiens sapiens toe te kennen. De vondst werd veelal gezien als een nieuwe ondersoort en kreeg derhalve een daar bij passende naam. Uitgestorven ondersoorten van de moderne mens kregen daardoor aanvankelijk een andere soortnaam.

Heel bekend zijn de vele fossiele resten van de Neanderthaler mens geworden. Omdat hij algemeen gezien wordt als een mens, gelijkwaardig aan de moderne typen en rassen van heden, mag hij de naam krijgen van Homo sapiens neanderthalensis. De neanderthaler mens heeft zich zelfs met hedendaagse typen vermend. De toevoeging 'neanderthalensis' wil slechts zeggen dat hij zich ten opzichte van anderen onderscheidde door specifieke fysieke kenmerken.

Voor ons artikel zijn vooral van belang de vele vondsten, waarvan men vermoedt dat ze ouder zijn dan die van de neanderthaler en bovendien van het menselijk geslacht zijn. De wereldbevolking kende, gelet op de vondsten, vóór de verschijning van de neanderthaler reeds een groot verspreidingsgebied (Azië, Afrika en Europa).

Voorbeelden van deze vondsten, in willekeurige volgorde en van meer of minder belang, zijn: (genoemde perioden zijn vao)

In Azië

Homo erectus mojokertensis; ontdekker Ralph von Koenigswald; overblijfselen gevonden in 1936 te Modjokerto op Java; leefde 700.000 jr geleden

Homo soloensis, de Solomens; ontdekker Ralph von Koenigswald 1931 aan de Solo-rivier bij Ngandong, Java

– de Pekingmens (Sinanthropus pekinensis, Pithecanthropus pekinensis; pithekos=aap, anthropos=mens); ontdekkers 1922 O. Zdansky, twee losse tanden, latere medewerkers Gunnar Anderson, Davidson Black, in 1927-1929 1500 kisten met fossielhoudend gesteente verzameld, afkomstig van ca 50 individuen, leefden 450.000 jaar geleden, vindplaats Zhoukoudian (Chou-Kou-Tien) westelijk van Peking.

– de Javamens (Pithecanthropus erectus, Homo erectus erectus; erectus=rechtop gaand); ontdekker de Nederlander Eugène Dubois 1890-1892 aan de oever van de Solo-rivier bij Trinil, zuidoost Java; 1891 een paar mensaapachtige tanden en een hersenpan, 1892 een menselijk heupbeen; leefde 700.000 jaar geleden

Pithecanthropus; ontdekker de Nederlander dr. R. von Koenigswald 1935-1937 te Sangiran en Trinil, zuidoost Java; een schedel

Pithecanthropus robustus; ontdekker R. von Koenigswald 1937 te Sangiran; gedeelte van een massieve schedel plus een boven- en onderkaak, een constructie uit resten van verschillende individuen

Pithecanthropus meganthropus; ontdekker Von Koenigswald 1940 te Sangiran; een enorme onderkaak

Homo georgicus; vondst 1991-2005 bij Dmanisi in Zuid Georgië; kleine erectusachtige oermensen met geringe schedelinhoud

Homo floresiensis; vondst in sept 2003 in de grot Liang Bua op Flores (Indonesië), bijnaam 'de Hobbit', waarschijnlijk verdreven door Homo erectus, leefde 70.000 jr geleden; mogelijk afstammelingen van Homo erectus. Volgens anderen een tijdgenoot van Homo sapiens en leefde 15.000 jr geleden. 7)

- Bewoningsresten en drie kleine menselijke tanden te Ubeidiya, 3 km ten zuiden van het Meer van Kinnereth (Meer van Galilea in Palestina). Gevonden artefacten behoren tot de vroege periode van het Acheulien (vroeg paleolithicum, ca 1.400.000 tot 1.700.000 jr geleden.

- Bewoningsresten, 10 km ten noorden van het Meer van Galilea bij Gesher Benot Ya'aqov, bekend als GBY ('Dochters van Jacob-brug'); ontdekkers o.a. Naama Goren-Inbar en Belitzky 1989 tot 1996. De vele Acheulien-artefacten zijn veelal gemaakt uit basalt, typisch voor het Afrikaanse Acheulien; 300.000 tot 790.000 jr geleden; de GBY-cultuur werd opgevolgd door de Mousterien-cultuur van het middenpaleolithicum van de neanderthaler-mens.

In Europa

– de Heidelbergmens (Homo heidelbergensis); vondst te Heidelberg 'onderkaak van Mauer' 1907; schedelinhoud van modern mens; maakte scherpe stenen messen ('levalloistechniek'); leefde 700.000 jr geleden. Door sommigen wordt hij de stamouder van de neanderthaler en moderne mens genoemd. Later zijn ook 'heidelbergmensen' in Afrika gevonden.

– schedelrest te Swanscombe: langs de Thames bij Londen; leefde 400.000 jr geleden

– schedel van Steinheim; bij Stuttgart in Duitsland; 400.000 jr geleden

– schedel van Fontéchevade; grot bij Angoulème in Frankrijk; 400.000 jr geleden

– schedel van Petralona; grot oostelijk van Thessaloniki in Griekenland, 400.000 jr geleden

– schedel en twee onderkaken van Arago bij Tautavel in Zd Frankrijk; vondst in 1969; 300.000 jr geleden

- bewoningsresten van meerdere individuen van 21 woonniveau's te Terra Amata (de naam van een laan: 'Het Beloofde Land') aan de kust bij Nice; ontdekker Henrey Lumeley; 1965, opgravingen 28 jan - 5 juli 1966. Bekend is een voetafdruk. Het zeewaterniveau van de Middellandse Zee was toen beduidend hoger. 2)

in Afrika

Kind van Taung; vindplaats Taung in Transvaal; ontdekker Raymond Dart 1924/1925

Homo sapiens rhodesiensis; vondst in Noord-Rhodesië (nu Zambia) in 1921, in Bloemfontein (Oranje-Vrijstaat, Zuid-Afrika) 1932, bij Kaapstad (Z.-Afrika) 1953; overgangsvorm tussen Homo erectus en Homo sapiens.

Homo naledi; ontdekker Lee Berger 2013; bij Johannesburg (Zuid-Afrika); 15 personen; leefden ca 280.000 jaar geleden; genoemd naar het grottenstelsel 'Rising Star'

– de Turkana boy; ontdekker Richard Leakey 1984; westelijk van het Turkanameer, Kenia; zeer compleet skelet; leefde 1.600.000 jr gelden. In de periode tussen Lucy (Australopithecus afarensis) en de Turkana boy zijn vrijwel geen fossiele resten bekend. Sommigen willen Australopithecus sediba als overgangsvorm daar tussen plaatsen. 2)

– de Rudolfmens; ontdekker Richard Leakey, bij het Rudolfmeer in Kenia

– de Ternifinemens; ontdekker Camille Arambourg; Algerijnse provincie Oran; leefde 700.000-600.000 jr geleden.

Deze lijst is uiteraard verre van volledig, maar geeft misschien aanknopingspunten bij het zoeken naar meer informatie en naar overige vondsten.

Men is tot de conclusie gekomen dat in het verre verleden uiterlijk duidelijke verschillen tussen deze menselijke bevolkingsgroepen moeten zijn voorgekomen. De eerste gevolgtrekking was daarom dat ze na en uit elkaar zijn ge-evolueerd. Homo erectus zou dan na Homo habilis een eerste schakel (gevolgd door andere schakels) zijn geweest tussen Aastralopithecus afarensis en Homo sapiens sapiens.

Zo heeft het hoofd van de Pekingmens kenmerken van de neanderthaler. De schedels van Swanscombe en Steinheim zijn opvallend modern (ook al zijn ze van oudere datum dan de neanderthaler). Homo floresiensis is bijzonder klein (maar een geringe lengte kan onder mensen voorkomen, vooral als gevolg van ernstige vorm van inteelt). Homo naledi en Homo georgicus hebben een geringe schedelinhoud (omvang van de hersenen zegt niet alles, als er maar voldoende grijze massa is).

De vele variaties tussen de gemaakte reconstructies geven gemakkelijk aanleiding tot verschillen van mening over de te trekken conclusies. Ook binnen de paleontologie.

Afbeeldingen van gemaakte reconstructies kunnen bovendien namelijk zeer suggestief zijn. Geringe aanpassingen aan het uiterlijk (beharing, schedel, opgetrokken bovenlip!) kunnen al iets dierlijks of menselijks aan een reconstructie geven.

Opvallend aan deze vondsten is daarentegen, dat romp en ledematen menselijk zijn. Soms bevestigde de aanwezigheid van gemaakte werktuigen (artefacten) hun menselijke afkomst.

Er is daarom reeds spoedig (vao) reden geweest om hen nu allen te scharen onder de naam Homo sapiens erectus (erectus= rechtop gaand), ook al kwam de ene groep misschien uit de ander voort, leefde men niet gelijktijdig, of woonde men ver uit elkaar en kende men onderling duidelijke verschillen. 1) 2) 5)

Conclusie vao: de oudste menselijke resten worden toegeschreven aan Homo erectus (verscheen voor het eerst 1.900.000 jaar geleden). Homo erectus en Homo neanderthalensis kenden een groot verspreidingsgebied. In de periode van 335.000 tot 236.000 jaar geleden waren ze tijdgenoten. De geschiedenis van het mensdom overziend onderscheidt men (vao) momenteel drie groepen: Homo sapiens erectus, Homo sapiens neanderthalensis, Homo sapiens sapiens. Ze leefden niet exclusief na elkaar, maar gedeeltelijk ook naast elkaar.

Er zijn paleontologen die aan de hand van onderscheidende kenmerken per continent, veronderstellen dat ieder continent een eigen variatie heeft voortgebracht. In Azië zouden dan Homo erectus-mensen geleefd hebben; in Europa Homo antecessor-mensen (antecessor=voorganger) en in Afrika de Homo ergaster-mensen (ergaster=werker).

Men gaat inmiddels ook vraagtekens zetten achter de vooronderstelling dat de eerste Homo erectus-mensen vanuit Afrika naar Europa trokken. De optie Azië als moederland krijgt steeds meer aanhang. Dit vooral vanwege de vondst te Dmanisi, een vondst in Zuid Frankrijk bij Nice (vindplaats Terra Amata), Ubeidiya en Gesher Benot Ya'aqov in Palestina .

Het probleem van de datering

Ook de datering van de gevonden fossiele resten berust op een vooronderstelling, waarmee we ons slecht kunnen verenigen.

Men concludeerde dat de aarde enkele wereldomvattende ontwikkelingen moet hebben gekend.

Zoals:

het ontstaan van de aardlagen en de continenten

het ontstaan van de gebergten

het ontstaan van ijstijden

Evolutie is (vao) mogelijk dankzij toevallige mutaties over een uiterst lange periode. Het ene soort organisme moest de tijd krijgen om toevallig of door andere omstandigheden een ander soort voort te brengen.

Er is een duidelijke samenhang tussen geologie (aardkunde) en biologie. De paleontologie (de leer van de uitgestorven planten en dieren) en de geologie gaan hand in hand samen. Men gaat uit van de gedachte dat processen van sedimentatie, gebergtevorming of klimaatverandering, zo ze heden plaats vinden, ook in het zeer verre verleden in hetzelfde tempo plaats hadden (het zgn actualiteitsprincipe). Men zag daarin een bewijs van het bestaan van een zeer lange periode van ontwikkeling tot een wereld zoals ze nu is. Men schat dat het eerste leven ontstond ca 630.000.000 jaar geleden.

De gedachte dat de aardlagen, waarop we leven, wereldwijd zijn ontstaan langs een zeer geleidelijke weg, is een onlogische gedachte. De vernietiging van de bestaande aardkorst en de opbouw van aardlagen vraagt theoretisch om een heftige oorzaak met heftige gevolgen.

Dezelfde redenering is van toepassing op het ontstaan van de gebergten. Bezoekers zien duidelijk hoe aardlagen schots en scheef over elkaar zijn geschoven. De eerste gedachte daarbij is dat dit gepaard moet zijn gegaan met veel geweld. De aanwezigheid van fossiele zeedieren bewijst dat de bergen na de schepping van het leven zijn ontstaan en vanuit een zee zijn opgerezen (Gen. 8:3-5; Ps. 104). Heftige klimaatschommelingen en gigantische waterverplaatsingen moeten daarvan het gevolg zijn geweest.

We zijn van mening dat het ontstaan van de aardlagen met de continenten en de alpiene gebergtevorming (met klimaatveranderingen als gevolg), de twee belangrijkste gebeurtenissen in de geologische geschiedenis van de aarde zijn. Deze twee wereldomvattende catastrofen (cataclysmen) maken tevens onderdeel uit van de geschiedenis der mensheid.

(Voor meer informatie hierover kunnen we volstaan met een verwijzing naar de volgende artikelen op Christipedia of Christipedia miraheze: Zondvloed en het paleozoïcum, Zondvloed en het mesozoïcum, Zondvloed en gebergtevorming, Mesopotamië na de torenbouw, Chronologie – van Noach tot Abraham (1)(2)(3) )

Bijbels tijdschema

In de hier boven genoemde artikelen wordt een poging gedaan, om, met redenen omkleed en op de Bijbel gefundeerd, een alternatieve chronologie voor de gangbare tijdschaal te bieden. In onze Bijbelse chronologie vallen de extreem lange perioden weg, te beginnen met 540.000.000 jaar gelden (de aardlagen vormen zich), 65.000.000 jaar geleden (de jongste gebergten beginnen te ontstaan), 2.000.000 jaar geleden (de ijstijden beginnen) en 1.900.000 jaar geleden (de eerste Homo erectus verschijnt).

We laten hieronder een klein gedeelte van een Bijbels tijdschema zien. Hier past wel grote bescheidenheid. De jaartallen zijn niet afgerond, niet omdat ze absoluut zeker zouden zijn, maar om de lezer de gelegenheid te bieden de juistheid van de chronologie na te rekenen aan de hand van de Bijbel. Ook de opstelling van een Bijbels tijdschema berust op vooronderstellingen! 4)

5723 = dikgedrukte jaartallen vóór Christus zijn gebaseerd op een Bijbelse tijdlijn. 4)

(vao) = volgens algemene opvatting

5723 ca De zevendaagse scheppingsweek

Berekeningen brachten ons tot het jaar 5723 voor Christus als het jaar van de schepping van het leven en de inrichting van de aarde als geschikt leefgebied voor dat leven. Nogmaals, uiteraard beseffen we maar al te goed dat te veel aannames bij de berekening ons het recht ontnemen te pretenderen dat de uitkomst een niet te weerleggen feit zou zijn.

Begin van het ediacarium. Het ediacarium (laatste periode van het precambrium) begon (vao) 630.000.000 jaar geleden.

Volgens de Bijbel is het ediacarium de periode tussen de zesdaagse scheppingsweek en de zondvloed. Deze wereld heeft naar onze mening geen fossiele resten van mensen nagelaten, ook al hebben ze toen geleefd.

4067 ca zondvloed of paleozoïsch cataclysme

paleozoïcum (hoofdtijdperk) begon (vao) 540.000.000 jaar geleden. De wereldwijd verspreide eerste zes aardlagen die na elkaar ontstaan zouden moeten zijn, ontstaan. De aardlagen staan bekend als het cambrium, ordovicium, siluur, devoon, carboon en perm (perioden van het paleozoïcum). Naar onze mening zouden deze aardlagen ontstaan zijn tijdens de zondvloed, mogelijk ook nog kort daarna. Omdat de zondvloed een wereldomvattende ramp (een cataclysme) was, spreken we bij voorkeur over het paleozoïsch cataclysme.

4065 ca na de vloed

mesozoïcum (hoofdtijdperk) begon (vao) 250.000.000 jaar geleden. Volgens de Bijbel zou dit de periode moeten zijn van ongeveer de eerste 400 jaar na de vloed. Ze wordt gekenmerkt door een herbevolking van de aarde. Er ontstaan regionaal aardlagen (trias, jura en krijt zijn perioden van het mesozoïcum).

3650 ca tertiair cataclysme met alpiene gebergtevorming

cenozoïcum (hoofdtijdperk) begon (vao) 65.000.000 jaar geleden. Pas 63.000.000 jaar later zou dan de eerste mens verschijnen.

tertiair (periode van het cenozoïcum) - In die tijd begonnen de Alpen en andere jonge gebergten te ontstaan in, onder andere, een zeearm van de Westelijke Tethys-zee. Het klimaat kende daardoor sterke schommelingen. Geologisch was dit een zeer onrustige periode. Naar onze mening begon de onrust ca 3650 voor Christus en was ze de oorzaak van het op drift geraken van de bevolking en een massale trek naar de vlakte van Sinear (Sumer), het noordelijk gedeelte van de Arabische Plaat. Deze periode kan beter genoemd worden ‘tertiair cataclysme’ met alpiene orogenese (gebergtevorming) (Ps. 104). Een belangrijk deel van de toenmalige bevolking had waarschijnlijk een meer gevestigd bestaan of waren nomadische herders binnen een uitgestrekt gebied. Door de geologische onrust geraakte hun voedselvoorziening in gevaar. Zij organiseerden zich en werden de bewoners van Sinear (Gen. 11:1-2).

We achten het mogelijk dat reeds voor het vertrek naar Sinear, of nog tijdens de torenbouw, jagende en voedselvergarende families (bij ons bekend als Homo erectus-mensen en Homo neanderthaler-mensen) alle richtingen zijn op gegaan en zoekend naar voedsel steeds verder zijn getrokken naar de beste jachtgronden. Ze waren in Afrika tijdgenoten van de Australopithecus. Het moet dus niet verbazen dat men voetafdrukken van de Homo sapiens heeft gevonden in dezelfde periode als waarin de Australopithecus Lucy leefde. In die tijd ontstond ook de Rift-vallei in Afrika. Vooral ook zij zijn getuigen geweest en ook slachtoffer van de heftige gebeurtenissen tijdens het tertiair. Zij zijn volledig uit beeld geraakt van de toenmalige bevolking.

Vroeger of later verschenen na het mislukken van de torenbouw de eerste Homo sapiens sapiens-mensen in Europa.

3400 ca pleistoceen (tijdvak van het kwartair); kwartair (periode van het cenozoïcum)

Het kwartair begon (vao) 2.000.000 jaar geleden en omvat de tijdvakken van het pleistoceen en het holoceen.

Volgens de Bijbelse tijdlijn bereikten de alpiene gebergten na 250 jaar, dus ca 3400 voor Christus, toen de torenbouw te Babel mislukte, een dusdanige hoogte dat zij het klimaat sterk konden beïnvloeden. In Europa wordt het koud. De koudeperiode zal duren tot de geboorte van Peleg in 2659 voor Christus. Deze laatste koudeperiode zou mogelijk de Würm-ijstijd genoemd kunnen worden.

Bronnen naast internet:

1) Donald C. Johanson, e.a., De evolutie van de mens (De speurtocht naar ontbrekende schakels) – Natuur en Techniek (Maastricht/Brussel 1981)

2) Hanne-Louise Danielsen (hoofdredactie), Op zoek naar de eerste mens (Breda 2018), een uitgave van Bonnier Publications International.

3) Marvin L. Lubenow, Bones of Contention. A Creationist Assessment of Human Fossils (Grand Rapids 2004)

4) Willem de Visser, Bijbelse Chronologie en Wereldgeschiedenis (Zoetermeer 2016)

5) Edmund White en Dale Brown, De eerste mensen (serie: Het ontstaan der mensheid) Time-Life International B.V. 1975

6) Dr. Stephen Bourke, e.a., The Middle East. The cradle of civilization revealed (Thames & Hudson 2008)

7) Ref.Dagbl. 2 nov 2004

8) Rod Caird, Aapmens, het verhaal van de evolutie van de mens (Antwerpen 1995)

9) Richard E. Leaky, op het spoor van de mens (Utrecht/Antwerpen 1981)