Hooglied/Hoofdstuk 1

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Hoofdstuk 1 van het Bijbelboek Hooglied wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Auteur (vs 1). Verlangen van de bruid om door haar liefhebber gekust te worden (vs 2). De bruid spreekt tot de koning (vs 3-4) van zijn welriekende olie en verlangt getrokken te worden. Ze is gebracht in zijn binnenkamers. Bruid tot de dochters van Jeruzalem (5-6): ze is donker door de zon, bestraft en onttrouw. Sulamith vraagt de herder (koning) (7v) waar hij weidt, omdat ze bij hem wil zijn. De herder antwoordt (vs 8v). De bruid spreekt (12v) van haar en zijn geur en zijn vrucht. De bruidegom antwoordt (15v) en roemt haar schoonheid. Haar ogen zijn gelijk duivenogen. De bruid reageert (16v)

Hoogl. 1:1 Inleiding

Hoo 1:1  Het Hooglied, hetwelk van Salomo is. (SV)

Hooglied. Lett. het lied der liederen, dat is: het hoogste lied. Het is een 'lied er liefde' (Ps. 45:1), vergelijkbaar met Psalm 45.

Van Salomo. Hij is de auteur.

Hoog. 1:2 Hij kusse mij

Hoo 1:2  Hij kusse mij met de kussen van Zijn mond; want Uw uitnemende liefkozingen zijn beter dan wijn. (CP)[1]

Hij … uw. De maagd spreekt over hem en vervolgens tot Hem.

Kussen … liefde.  Het boek dat geschreven is door Salomo begint met de uitdrukking van het verlangen van de bruid naar de bruidegom. Het verlangen is intiem: Hij kusse mij! De reden waarom zij wenst door de koning gekust te worden is diens uitnemende liefde.

Vergelijk:

Hoo 5:16  Zijn gehemelte [of: mond] is enkel zoetigheid, en al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste; ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem! (SV)

Uw uitnemende liefkozingen zijn beter dan wijn. Liefkozingen: in het Hebreeuws wordt een meervoud gebruikt. De Statenvertaling heeft 'liefde' (enkelvoud). Wordt ook met ere vermeld in vers 4. Wijn is een beeld van vreugde en genieting. Aardse vreugde. Des konings liefde is beter dan wijn.

Hoogl. 1:3 Uw oliën

Hoo 1:3 Uw oliën zijn goed tot reuk, Uw naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief. (SV)

Uw oliën … uw naam is een olie. De geur die de koning verspreid is goed … of bedoelt de bruid de oliën die aan het hof gebruikt worden? De bruidegom heeft een heerlijke geur, maar ook zijn naam is heerlijk. Zijn naam is een welriekende olie. Dus het fysieke en het geestelijk-zedelijke zijn allebei aangenaam.

De Heer Jezus is de Christus, de Gezalfde. Profeten, koningen en priesters werden in het oude Israël gewijd door zalving met olie. Jezus is gezalfd met Heilige Geest, en ook wij, gelovigen, hebben de zalving (1 Joh. 2:20, 27).

2Co 2:14  En God zij dank, die ons altijd in triomf omvoert in Christus en de reuk van zijn kennis door ons openbaar maakt op elke plaats. 2Co 2:15  Want wij zijn voor God een welriekende reuk van Christus in hen die behouden worden en in hen die verloren gaan; 2Co 2:16  voor de laatsten wel een reuk uit de dood tot de dood, maar voor de eersten een reuk uit het leven tot het leven. -En wie is tot deze dingen bekwaam? (Telos)

Zie ook Reuk.

Daarom hebben U de maagden lief. Vergelijk vers: “de oprechten hebben U lief”. De maagden hebben hem lief om zijn heerlijke Naam en welriekende oliën.

Opmerkelijk is dat de bruid de maagden erbij haalt. Zij is één van hen. De liefde van één persoon en de liefde van de maagden komen naar voren. Mogen we zeggen: de liefde van de ene bruid en de liefde van de afzonderlijke maagden horen bij elkaar. Zij vormen twee aspecten van de liefde van de bruid van Christus. De gemeente heeft Hem lief (collectief) en de afzonderlijke gelovigen hebben Hem lief (individueel).

Hoogl.1:4 In zijn binnenkamers

Hoo 1:4 Trek mij, wij zullen U nalopen! De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkamers; wij zullen ons verheugen en in U verblijden; wij zullen Uw uitnemende liefkozingen vermelden, meer dan de wijn; de oprechten hebben U lief. (CP[1])

Mij … wij. Vergelijk in vers 3 het meervoud “de maagden”. Opmerkelijk is wederom de nauwe verbinding tussen ‘ik’ en ‘wij’. Persoonlijk en gemeenschappelijk. De gemeente van Christus is een collectief, maar de leden hebben ook een persoonlijke verhouding met Christus. De bruid weet zich één met de maagden.

Trek mij, wij zullen U nalopen! De bruid heeft behoefte door de koning getrokken te worden. Uit zichzelf loopt ze Hem niet na. Eveneens zal de Heer Jezus ons moeten trekken tot navolging.

In Openbaring worden de 144.000 als het ware getrokken en verzegeld uit alle stammen van Israël. Vervolgens volgen zij het Lam waar het ook gaat.

Opb 14:4  Dezen zijn het die zich niet met vrouwen hebben bevlekt, want zij zijn maagdelijk. Dezen zijn het die het Lam volgen waar het ook heengaat. Dezen zijn uit de mensen gekocht als eerstelingen voor God en het Lam.

De Koning … Zij spreekt over ‘de Koning’ tot anderen. Zij noemt hem ‘de koning’, lijkt het, tegenover anderen.

… heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren. De binnenkamer is de plaats van vertrouwelijke omgang, buiten het gezicht van de omgeving.

Mt 6:6  Maar u, wanneer u bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader die in het verborgen is; en uw Vader die in het verborgen kijkt, zal het u vergelden.

De Heer Jezus trekt ons het liefst de hemel in: de opname van de gemeente, daarnaar ziet Hij uit. Hij wil haar dicht bij Zich hebben. Christus zal ons tot zich nemen en ons brengen in het huis van Zijn vader, waarin “zijn vele woningen” (Joh. 14). Dat zal een plaats van vreugde zijn (“wij zullen ons verheugen en in U verblijden”).

Uw uitnemende liefkozingen. In het Hebreeuws wordt een meervoud gebruikt, vandaar 'liefkozingen'. De Statenvertaling heeft het enkelvoud 'liefde'.

Wederom wordt de uitnemende liefde van de koning genoemd (vgl. vers 1). Deze liefde zal vermeld worden. Na de opname van de gemeente zal Gods uitnemende liefde in Christus vermeld worden. Ten tweeden male wordt gezegd dat die liefde beter is dan de wijn.

De oprechten hebben u lief. Vergelijk: “daarom hebben U de maagden lief.” (vers 3).

De oprechten hebben de koning lief. Of, zoals anderen vertalen: terecht (met recht) hebben zij u lief, of : oprecht hebben zij u lief. Het Hebreeuws heeft de rechtheden, of richtigheden; dat is, zeggen de Kanttekenaren, “degenen die met oprechtheid begaafd zijn, die (Hoogl. 1:3) maagden genoemd worden, die namelijk in wie geen bedrog woont”. Vergelijk wat gezegd wordt van de 144.000:

Opb 14:4  Dezen zijn het die zich niet met vrouwen hebben bevlekt, want zij zijn maagdelijk. Dezen zijn het die het Lam volgen waar het ook heengaat. Dezen zijn uit de mensen gekocht als eerstelingen voor God en het Lam. Opb 14:5  En in hun mond is geen leugen gevonden, want zij zijn onberispelijk. (Telos)

Hoogl. 1:5 Zwart doch liefelijk

Hoo 1:5 Ik ben zwart, doch liefelijk (gij dochteren van Jeruzalem!), gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Salomo. (SV)

Ik ben zwart, doch liefelijk (gij dochteren van Jeruzalem!). De bruid heeft een donkere huidskleur.

Hoo 1:6  Ziet mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen; ... (SV)

Zij vergelijkt zichzelf met de meisjes van Jeruzalem. Blijkbaar komt zijzelf van elders, van buiten Jeruzalem.

Liefelijk is de vertaling van het Hebr. naveh. Dit bijvoegelijk naamwoord komt 9x voor in het Oude Testament en wel in de Psalmen, Spreuken en Hooglied. Het kan ook betekenen "passend, betamelijk" (Ps. 33:1; 147:1; Spr. 17:7; 19:10; 26:1). In Hooglied komt het woord 4x voor en is steeds vertaald met 'liefelijk' of iets vergelijkbaars.

De bruidegom verklaart later dat het donker getinte meisje liefelijk is:

Hoo 2:14  Mijn duive, zijnde in de kloven der steenrotsen, in het verborgene ener steile plaats, toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet, en uw gedaante is liefelijk.

Hoo 6:4  Gij zijt schoon, Mijn vriendin, gelijk Thirza, liefelijk als Jeruzalem, schrikkelijk als slagorden met banieren.

Zij acht zichzelf, ondanks haar donkere huidskleur, nochtans liefelijk, bevallig van voorkomen. Haar vriend zal dat hierna bevestigen met de woorden "jij schoonste onder de vrouwen" (1:8).

De gemeente van God bestaat, in de huidige bedeling, bijna alleen uit niet-Joden, heidenen. In onszelf zijn wij van huis uit bevuild door de zonde, zwart door ongerechtigheden. Niettemin zijn wij liefelijk, d.w.z. aantrekkelijk en aangenaam voor Hem. Wij zijn begenadigd (Ef. 1:6) en aangenaam gemaakt in de Geliefde.

Gelijk de tenten van Kedar. Deze waren zwart van kleur. 'Kedar' betekent 'duister, donker'. → Kedar.

Gelijk de gordijnen van Salomo. Wellicht waren deze liefelijk, mooi.

Hoogl. 1:6 Hoedster der wijngaarden

Hoo 1:6  Ziet mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen; de kinderen mijner moeder waren tegen mij ontstoken, zij hebben mij gezet tot een hoederin der wijngaarden. Mijn wijngaard, dien ik heb, heb ik niet gehoed. (SV)

Zwartachtig. Zie ook vers 5.

Heb ik niet gehoed.Hoeden.

Hoogl. 1:7 Waar weidt u?

Hoo 1:7  Zeg mij aan, Gij, Dien mijn ziel liefheeft, waar Gij weidt, waar Gij de kudde legert in den middag; want waarom zou ik zijn als een, die zich bedekt bij de kudden Uwer metgezellen? (SV)

Zeg mij aan ... waar Gij weidt ... legert. Het antwoord krijgt zij hierna.

Die zich bedekt. Met hoofddoek of sluier. De sluier verzekerde de draagster van achting en veiligheid op straat en in het veld. → Hoofdbedekking.

Bij de kudden uwer metgezellen. Die ook hoeders van kudden zijn, vergelijk volgende vers.

Hoogl. 1:8 Het spoor van de schapen

Hoo 1:8  Indien gij het niet weet, o gij schoonste onder de vrouwen! zo ga uit op de voetstappen der schapen, en weid uw geiten bij de woningen der herderen. (SV)

Volgens velen antwoordt hier, gezien de vraag, de Bruidegom zelf; anderen echter denken aan de dochters van Jeruzalem. Voor de laatste uitleg pleiten de verzen 6:1 en 5:9. Als de Jeruzalemse vrouwen antwoorden, spreken zij met hun "o gij schoonste onder de vrouwen" wellicht op ironische toon. De Bruidegom zelf treedt dan in het volgende vers op.[2]

O gij schoonste onder de vrouwen. Zij vindt zichzelf wel bevallig, maar niet de mooiste, omdat zij zo'n donkere huid heeft (1:5). Misschien speelt haar eenvoudig voorkomen als landmeisje ook een rol. Haar vriend echter - als hij het is die antwoordt - vindt haar de mooiste onder de vrouwen.

Zo ga uit op de voetstappen der schapen. De sporen der schapen leiden naar de herder. Moge ook onze gang door deze wereld, onze 'footprints' in deze wereld, een heenwijzing zijn naar de Goede Herder.

Bij de woningen der herders. Deze herders zijn wellicht zijn 'metgezellen' (1:7)

Hoogl. 1:9 Mijn merrie gelijk

Hoo 1:9  Mijn vriendin! Ik vergelijk u bij mijn merrie aan de wagens van Farao. (CP)[1]
Een Egyptische Farao in een strijdwagen getrokken door een prachtig versierd paard.

Bij mijn merrie aan de wagens van Farao. Statenvertaling: "de paarden". Het Hebreeuws wijst een vrouwelijk paard aan. Woordelijk: "mijn merrie". De bruidedom vergelijkt zijn dierbare vriendin in haar jeugdige en natuurlijke beminnelijkheid bij zijn prachtig gezadelde merrie (of prachtig gezadeld span). Misschien moest hij denken aan een bijzonder mooi lievelingspaard, dat met prachtig versiersel is opgezadeld en voor de wagens van Farao werd gespannen.[2]

Salomo had veertig duizend paardenstallen (1 Kon. 4:26). Hij had wagens van Farao uit Egypte gebracht (1 Kon. 10:28).

Hoogl. 1:10 Uw wangen

Hoo 1:10 Uw wangen zijn liefelijk in de spangen, uw hals in de parelsnoeren. (SV)

Dit vers lijkt aan te sluiten bij het vorige en daarvan een toelichting te zijn. Zoals het hoofd van paarden fraai versierd kan zijn, zo ziet de bruidegom het hoofd van de bruid versierd. Het gaat hem echter niet om de sieraden, maar om onderdelen van haar lichamelijke schoonheid. 

Spangen zijn hangers, in de oren of aan de hoofdtooi bevestigd[3].

Hoog. 1:11 Gouden hangers

Hoo 1:11 Wij zullen u gouden spangen maken, met zilveren stipjes. (SV)

Wij. Dit is de eerste keer dat de bruidegom in de wij-vorm spreekt. Wie zijn die wij? De koning en zijn dienaren vermoedelijk.

De koning wenst haar schoonheid te vermeerderen! God heeft ons verheerlijkt en zal ons verheerlijken!

Hoog. 1:12 Nardus

Hoo 1:12 Terwijl de Koning aan Zijn ronde tafel is, geeft mijn nardus zijn reuk. (SV)

Zij lijkt te spreken tot anderen dan de Koning.

Hoog. 1:13 Bundeltje mirre

Hoo 1:13 Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre, [dat] tussen mijn borsten vernacht. (SV)

Bij bijzondere gelegenheden plachten vrouwen een bundeltje vloeibare of verharde mirre op de borst te dragen[4].

Mirre spreekt misschien zinnebeeldelijk van lijden. Lijden dat niettemin een welriekende geur voortbrengt.

Hoog. 1:14 Tros van Cyprus

Hoo 1:14 Mijn Liefste is mij een tros van Cyprus, in de wijngaarden van En–gedi. (SV)

Tros: verzameling van vruchten, vergelijk druiventros. In de Heer Jezus is een verzameling van uitnemendheden. Hij is niet enkel zachtmoedig, maar ook volkomen rechtvaardig, ootmoedig, wijs enz.

Een tros van Cyprus. De druiven van Cyprus waren, volgens Plinius de Oudere, een amateur-wetenschapper uit de 1e eeuw, de beste en grootste druiven[5].

En-gedi. Salomo had er wijngaarden. ⇒ Engedi

Hoog. 1:15 Jouw ogen zijn duiven

Hoo 1:15  Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! Zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duiven [ogen]. (SV)

Uw ogen zijn duiven. In 4:1 zijn de ogen gelijk duiven tussen de vlechten.

Hoo 4:1  Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duiven [ogen] tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van den berg Gileads afscheren. (SV)

De wimpers doen misschien aan de vleugels (wieken) van een duif denken.

In 5:12 vergelijkt zij zijn ogen met duiven.

Hoo 5:12  Zijn ogen zijn als duiven bij waterstromen, badend in melk, zittend bij een volle bron. (HSV)

Hoog. 1:16 Onze bedstede groent

Hoo 1:16 Zie, gij zijt schoon, mijn Liefste, ja, liefelijk; ook groent onze bedstede. (SV)

De vrouw antwoordt in echo.

Ook groent onze bedstede. De bedstede is (of is gelijk) het groene veld of de tuin. Vgl. 1Kon 7.2,7 9.11

Hoog. 1:17 Onze huizen

Hoo 1:17 De balken onzer huizen zijn cederen, onze galerijen zijn cipressen. (SV)

Dat doet denken aan het paleis van Salomo, dat uit meerdere gebouwen bestond, onder andere het huis van het woud van Libanon en het voorhuis voor de troon. Hij maakte cederen pilaren en balken.

1Kon 7:2  Hij bouwde ook het huis des wouds van Libanon, van honderd ellen in zijn lengte, en vijftig ellen in zijn breedte, en dertig ellen in zijn hoogte, op vier rijen van cederen pilaren, en cederen balken op de pilaren. (...) 1Kon 7:7  Ook maakte hij een voorhuis voor den troon, alwaar hij richtte, tot een voorhuis des gerichts, dat met ceder bedekt was, van vloer tot vloer. (SV)

De bruid spreekt van huizen (meervoud). De Heer Jezus zei: In het huis van Mijn vader zijn vele woningen. Vergelijk 1:4: De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkamers. De bruid verlangt naar een gemeenschappelijke woning met de bruidegom.

Cipressen. Zie Cipres.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 1,2 Christipedia-vertaling, hier gebaseerd op de Statenvertaling van dit vers.
  2. 2,0 2,1 Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Hooglied.
  3. Zo de aantekening in de Leidse Vertaling.
  4. Dr. ir. J. de Graaf e.a. (red.), Tekst voor Tekst; de Heilige Schrift kort verklaard en toegelicht (Boekencentrum, 1987).
  5. Naturalis Historia, l. 14. c. 1. John Gill verwijst hiernaar, zie John Gill's Expositor.