Hooglied/Hoofdstuk 4

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Hoofdstuk 4 van het Bijbelboek Hooglied wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Hoogl. 4:1 Haar ogen en haar

Hoo 4:1  Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! zie, u bent schoon; uw ogen zijn duiven [ogen] van achter uw sluier; uw haar is als een kudde geiten, die [het gras] van de berg Gilead afscheren. (CP[1])

Vergelijk:

Hoo 1:15  Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! Zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duiven [ogen]. (SV)

Uw ogen zijn duiven. Dat wordt ook in 1:15 gezegd.

Van achter uw sluier. De ogen, de wangen en de slaap vertonen zich door de sluier heen. Vergelijk

Hoo 6:7  Uw wangen zijn als een stuk van een granaatappel van achter uw sluier. (CP[1])

Hoo 4:3  Uw lippen zijn als een scharlaken snoer, en uw spraak is liefelijk; de slaap van uw hoofd is als een stuk van een granaatappel van achter uw sluier. (CP[1])

Hoo 1:10 Uw wangen zijn liefelijk in de spangen, uw hals in de parelsnoeren. (SV)

Uw haar als als een kudde geiten enz. Dat zegt hij ook later:

Hoo 6:5  Wend uw ogen van Mij af, want zij doen Mij geweld aan; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van Gilead afscheren. (SV)

Uw haar is zo blinkend zwart, zo weelderig en als zijde zacht en teder als een zwarte, keurige kudde geiten, die het gras van de berg Gilead afscheren. Het haar of de wol van de schapen in Israël was wit, maar dat van de geiten zwart, en het is daarom, dat de glans van het haar der bruid wordt vergeleken met de glans van het haar der geiten van Gileads gebergte.[2]

Hoogl. 4:2 Haar tanden

Hoo 4:2  Uw tanden zijn als een kudde schapen, die geschoren zijn, die uit de wasstede opkomen; die al te zamen tweelingen voortbrengen, en geen onder hen is jongeloos. (SV)

Het schaap in Israël is in de regel wit. Is uw haar (dat van de bruid) blinkend zwart, uw tanden daarentegen zijn zo verblindend wit als ene kudde schapen wier wol wit is, die geschoren zijn, geheel glad, die zo even uit de wasplaats opkomen en daardoor wit zijn. In de oudheid, gelijk nog in warme luchtstreken, was het een algemene gewoonte, de geschoren schapen dadelijk te laten baden. Met geschoren schapen worden de tanden vergeleken met betrekking op hun gladheid, met gewassen schapen in betrekking op haar witheid.[2]

Die al te zamen tweelingen voortbrengen, en gene onder haar is jongeloos. Zo ook staan in uw mond de tanden in beide rijen als tweelingen paarsgewijze zonder leemte op elkaar.[2]

Jongeloos. Zonder jong schaap.

Hoogl. 4:3 Haar lippen, spraak en slaap

Hoo 4:3  Uw lippen zijn als een scharlaken snoer, en uw spraak is liefelijk; de slaap van uw hoofd is als een stuk van een granaatappel van achter uw sluier. (CP[1])
Granaatappels uit Israël

Uw spraak is liefelijk. Velen vertalen 'uw mond'. De bruidegom vindt haar stem 'zoet' (2:14) en wenst hem te horen (2:14).

De slaap van uw hoofd is als een stuk van een granaatappel van achter uw sluier. Als een stuk van een granaatappel aan zijn buitenzijde, waar fris rood uit geel en wit te voorschijn komt[2].

Hoogl. 4:4 Haar hals

Hoo 4:4  Uw hals is als Davids toren, die gebouwd is tot ophanging van wapentuig, waar duizend rondassen aan hangen, altemaal zijnde schilden der helden. (SV)

De blik van de bruidegom daalt af.

Als Davids toren, die gebouwd is tot ophanging van wapentuig. Als Davids wapentoren, een soort van versterkt tuighuis, aan de buitenzijde waarvan men schilden en andere wapens placht op te hangen, waardoor de toren zo blinkend versierd was. De vergelijking ziet op de halssieraden, waarmee de hals van de bruid versierd was.[2]

In 7:4 wordt haar hals vergeleken met een ivoren (elpenbenen) toren.

Hoo 7:4  Uw hals is als een elpenbenen toren, uw ogen zijn als de vijvers te Hesbon, bij de poort van Bath-rabbim; uw neus is als de toren van Libanon, die tegen Damaskus ziet. (SV)

Hoogl. 4:5 Haar borsten

Hoo 4:5  Uw twee borsten zijn gelijk twee welpen, tweelingen van een ree, die onder de leliën weiden. SV)

Uw twee borsten zijn van zulk een tedere, bevallige schoonheid, gelijk twee welpen, tweelingen van een ree of gazel die onder de lelies weiden en zich aldaar legeren.

Gelijk twee welpen, tweelingen van een ree. Van een ree of gazel. De gazel, als volgroeid dier, is op zichzelf een voortreffelijk, geliefkoosd en sprekend beeld van vrouwelijke bevalligheid en bekoorlijkheid (Spr. 5:19):

Spr 5:18  Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd; Spr 5:19  Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in haar liefde. (SV)

Reekalf van enkele dagen oud.

De gazellengeitjes zijn teder, lieflijk, vreedzaam, maar ook lustig, vrolijk en dartel, waardoor zij de ogen van de beschouwers boeien.

In 2:2 vergeleek hij zijn vriendin met een lelie:

Hoo 2:2  Gelijk een lelie onder de doornen, alzo is Mijn vriendin onder de dochteren. (SV)

In ons vers verschijnt dus een tweelingspaar van lieflijke gazellejongen, uitgestrekt op een door lelies overspreid leger, om het tedere en sierlijke van de maagdelijke boezem aan te duiden.

Hoogl. 4:6

Hoo 4:6  Totdat de dag waait, en de schaduwen vlieden, zal Ik gaan tot de mirreberg, en tot de wierookheuvel. (CP[1])

Waait. Of 'ademt'. De Hebreeuwse nieuwe dag begint met de avond. De zonsondergang en de avondwind brengen koelte. Vandaar andere vertalingen als "Tot de wind van de dag opsteekt" (HSV) en "Tot de avondwind waait" (NBG51) en "Voordat aanwaait de dag" (NaB).

Zal ik gaan tot de mirreberg, en tot de wierookheuvel. De mirreberg en wierookheuvel zijn zeker welbekende, bijzonder aangename en lieve plekjes in het park geweest, waar zich wellicht opgehoogde, heuvelachtige bedden met allerzeldzaamste welriekende planten bevonden.[2]

Hoogl. 4:7

Hoo 4:7  Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u. (SV)

Geheel zijt gij schoon. In 4:1 zei hij "Gij zijt schoon, mijn vriendin", nu "geheel schoon". Dit zegt de bruidegom nadat hij verscheidene delen van haar schoonheid heeft vermeld.

Efe 5:25  Mannen, hebt uw vrouwen lief, evenals ook Christus de gemeente heeft liefgehad en Zichzelf voor haar heeft overgegeven, Efe 5:26  opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door het woord, Efe 5:27  opdat Hij de gemeente voor Zich zou stellen, heerlijk, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, maar opdat zij heilig en onberispelijk zou zijn. (Telos)

Hoogl. 4:8

Hoo 4:8 Met Mij van de Libanon af, o bruid! kom met Mij van de Libanon af; kom van de top van Amana, van de top van Senir en van Hermon, van de woningen der leeuwinnen, van de bergen der panters. (CP[1])

Libanon. De Libanon is hier de bergketen Anti-Libanon op de grens van Libanon en Syrië. Syrië was indertijd aan Israël onderworpen.

2Sa 8:6  En David leide bezettingen in Syrië van Damaskus, en de Syriërs werden David tot knechten, brengende geschenken; en de HEERE behoedde David overal, waar hij heentoog. (SV)

Met mij ... komt met mij ... kom. Met de Libanon en de andere gebergten zinspeelt Salomo op de vroegere omgeving van de bruid. Misschien was de bruid afkomstig uit die bergachtige landstreek en was daar een plaats Sulem, waar zij, de Sulamittische, woonde. Anders, als haar woonplaats Sunem was, is het mogelijk dat de bruidegom de bergen rondom Sunem vergelijkt met de hoogste spitsen van het Libanongebergte[3]. Bij de bruidegom en zijn woning is het in elk geval beter en veiliger.

o bruid! Dit is de eerste keer dat hij haar bruid noemt. Zie Hooglied/Onderwerpen.

Leeuwinnen ... panters. Leeuwen en panters kwamen in geheel Israël, bijzonder in Bazan en op de Libanon talrijk voor en werden er in de 19e eeuw nog gevonden[3].

Toepassing. De vroegere omgeving van de bruid is, toegepast op de gelovigen van nu, "deze tegenwoordige boze wereld". Op de Anti-Libanon was een plek die Baäl-Hermon werd genoemd, waar de afgod Baäl vereerd werd. Mensen van de wereld kunnen zich gedragen als wilde dieren. Paulus heeft dat ondervonden:

1Co 15:32  Als ik, naar de mens gesproken, in Efeze tegen wilde dieren heb gevochten, wat baat het mij? Als er geen doden worden opgewekt, laten wij eten en drinken, want morgen sterven wij. (Telos)

Christus Jezus heeft ons opgezocht en lokt ons uit de wereld. Hij trekt zijn bruid met koorden van liefde, voert haar van de verderfelijke gemeenschap der wereld tot de zalige gemeenschap met Hem.[2]

Hoogl. 4:9

Hoo 4:9  Gij hebt Mij het hart genomen, Mijn zuster, o bruid! gij hebt Mij het hart genomen, met één van uw ogen, met één keten van uw hals. (SV)

Mijn zuster. Merkwaardig is dat de bruidegom zijn bruid als zuster aanspreekt, zo ook in vers 10. Hebben zij dezelfde Vader? Israël en de Heer Jezus hebben inderdaad dezelfde vader: Abraham.

Mt 1:1  Geslachtsregister van Jezus Christus, Zoon van David, Zoon van Abraham. (Telos)

Lu 19:9  Jezus nu zei tot hem: Vandaag is aan dit huis behoudenis ten deel gevallen, omdat ook deze een zoon van Abraham is. (Telos)

En de gemeente en de mens Jezus Christus hebben inderdaad dezelfde Vader in de hemel.

Joh 20:17 Jezus zei tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren naar mijn Vader; maar ga heen naar mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader en naar mijn God en uw God. (Telos)

Met één van uw ogen.

Lu 11:34  De lamp van uw lichaam is uw oog; wanneer uw oog eenvoudig is, is ook uw hele lichaam verlicht; als het echter boos is, is ook uw lichaam duister.

Hoogl. 4:10

Hoo 4:10  Hoe schoon is uw uitnemende liefde, Mijn zuster, o bruid! hoeveel beter is uw uitnemende liefde dan wijn, en de reuk uwer oliën dan alle specerijen! (SV)

Hoeveel beter is uw uitnemende liefde dan wijn. Dat zegt ook zij van zijn liefde in 1:2.

Hoo 1:2  Hij kusse mij met de kussen Zijns monds; want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn. (SV)

De reuk uwer oliën dan alle specerijen. Ook de bruid prijst de oliën van de bruidegom, in 1:3, eveneens na het vermelden van zijn uitnemende liefde in 1:2.

Hoo 1:3  Uw oliën zijn goed tot reuk, Uw naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief. (SV)

Hoogl. 4:11

Hoo 4:11  Uw lippen, o bruid! druppen van honigzeem; honig en melk is onder uw tong, en de reuk uwer klederen is als de reuk van Libanon. (SV)

Honig en melk is onder uw tong. Honig is vaster dan melk.

Melk is een zinnebeeld van het voedzame en heilzame woord van God.

1Co 3:2  Ik voedde u met melk, niet met vast voedsel, want dat kon u niet verdragen, ja, dat kunt u ook nu nog niet; (Telos)

Heb 5:12  Immers, terwijl u gezien de tijd leraars behoorde te zijn, hebt u weer nodig dat men u leert wat de elementen van het begin van de uitspraken van God zijn, en u bent geworden als zij die melk nodig hebben, en niet vast voedsel. Heb 5:13  Want ieder die melk gebruikt, is onervaren in het woord van de gerechtigheid, want hij is een klein kind; (Telos)

1Pe 2:2  Verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk, opdat u daardoor opgroeit tot behoudenis; (Telos)

Hoogl. 4:12

Hoo 4:12  Mijn zuster, o bruid! gij zijt een besloten hof, een besloten wel, een verzegelde fontein. (SV)

De besloten, afgeschermde staat van de bruid wordt hier getekend.

Een besloten hof. Een tuin met planten, bomen, een lusthof met vruchtbomen (4:16). De hof is besloten: niemand heeft toegang dan alleen zijn heer/heerin en bezitter/bezitster.

Even verder spreekt de bruid van haar hof.

Hoo 4:16  Ontwaak, noordenwind! en kom, Gij zuidenwind! doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten! (SV)

De gemeente van Christus is idealiter een besloten hof, in de wereld en tegelijk afgezonderd van de wereld. Een hof waarin haar Heer wandelt, zoals eertijds God wandelde in de hof van Eden, en de Heer Jezus staat te midden van de zeven kandelaren (Opb. 1:13).

Een besloten wel. De waterputten in de lusthoven waren bedekt met een steen om het water te beschermen tegen het stof en het zand der woestijn[2].

De gemeente van Christus, die het woord van God doet uitstromen, wordt door Hem wel bewaard voor veel wat haar tot schade zou zijn.

Een verzegelde fontein. Verzegelen heeft twee betekenissen: (1) bevestigen, bekrachtigen, verzekeren, (2) toesluiten, verbergen. Het woord 'fontein' duidt in de grondtekst een fontein van levend water aan.

De gemeente van Christus is een wel en fontein van Gods woord. De nieuwtestamentische gelovigen zijn verzegeld met de Geest van God. Dat levende water vernieuwt en vormt het bad van de wedergeboorte. Het is een fontein tegen de zonde en de onreinheid; water der heiligmaking tot uitzuivering van zondevlekken[3].

Hoogl. 4:13

Hoo 4:13  Uw scheuten zijn een paradijs van granaatappelen, met edele vruchten, cyprus met nardus; (SV)

De hof, die de bruid figuurlijk is, is een lusthof met edele vruchten en specerijen.

Cyprus. De naam is onzeker. De Hebreeuwse naam is kopher, dat meestal duidt op verzoening, losgeld of zoengeld. Anderen vertalen: hennastruiken (HSV), hennabloemen (NBG51, Canis, WV95, LEI, NBV), cyprusbomen (NaB), cyprusbloemen (Cyperblumen, ELB).

Hoogl. 4:14

Hoo 4:14  Nardus en saffraan, kalmus en kaneel, met allerlei bomen van wierook, mirre en aloë, mitsgaders alle voornaamste specerijen. (SV)

Salomo noemt hier de voortreffelijkste, edelste planten van het binnen- en buitenland op, die zijn uitgebreide kennis van het plantenrijk hem aangeeft, en die tot bereiding van edele, welriekende oliën en wateren, goede zalven en wierook worden aangewend. Hij noemt ze om voor te stellen, dat in de heerlijke eigenschappen van de bruid het heerlijkste wat Gods schepping voortbrengt, zijn gelijkenis en evenbeeld vindt. Wellicht had Salomo ook al deze buitenlandse planten in zijn tuinen te Etham, zuidelijk van Bethlehem (1 Sam. 9:5) aangekweekt.[2]

Bomen van wierook. Welker geurige hars tot bereiding van de edelste wierook dient. Zie ook Wierook.

Mirre. Zie Mirre. De bruid vergeleek eerder haar vriend met mirre:

Hoo 1:13  Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre, dat tussen mijn borsten vernacht. (SV)

Hoogl. 4:15

Hoo 4:15 O fontein der hoven, put der levende wateren, die uit Libanon vloeien! (SV)

O fontein der hoven. Die alles verkwikt en op nieuw laat ontspruiten, wat in zijn nabijheid staat.

Put der levende wateren. Een gewaardeerde put van levende, uit de aarde opborrelende bronwateren, als beken van frisse, lieflijk verkwikkende wateren. In wordt de eigen vrouw vergeleken met een bron.

Spr 5:15 Drink water uit uw bak, en vloeden uit het midden van uw bornput; Spr 5:16  Laat uw fonteinen zich buiten verspreiden, en de waterbeken op de straten; Spr 5:17  Laat ze de uwe alleen zijn, en van geen vreemde met u. Spr 5:18  Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd; (HSV)

Die uit de Libanon vloeien. Wateren die van de sneeuw uit Libanon rijkelijk vloeien. In deze passage, waarin de bruidegom aan het woord is, had hij haar eerder opgeroepen van de Libanon af bij hem te komen (4:8).

Hoogl. 4:16

Hoo 4:16  Ontwaak, noordenwind! en kom, Gij zuidenwind! doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten! (SV)

De bruid neemt in haar antwoord het beeld van een liefelijk hof, waaronder de bruidegom haar voorstelt, over.

Dat zijn specerijen uitvloeien. Zodat de geur van zijn specerijen zich verspreidt. Sommige vertalingen (NBG51, NaB) hebben 'balsemgeuren' in plaats van 'specerijen'. "Dat zijn balsemgeuren stromen" (NaB). "Laat zijn balsems geuren" (NBV).

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 1,4 1,5 Vertaling van Christipedia, gebaseerd op de Statenvertaling, die in dit vers is gewijzigd.
  2. 2,0 2,1 2,2 2,3 2,4 2,5 2,6 2,7 2,8 Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901). Tekst van het commentaar is onder wijziging overgenomen.
  3. 3,0 3,1 3,2 Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901)..