Hooglied/Hoofdstuk 5

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Hoofdstuk 5 van het Bijbelboek Hooglied wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Hoogl. 5:1

Hoo 5:1 Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zuster, o bruid! Ik heb Mijn mirre geplukt met Mijn specerij; Ik heb Mijn honigraten met Mijn honig gegeten; Ik heb Mijn wijn, mitsgaders Mijn melk gedronken. Eet, vrienden! drinkt, en wordt dronken, o liefsten! (SV)

Het schijnt dat de bruidegom in zijn antwoord het beeld van de lusthof nu toepast, niet op zijn vriendin, maar op zijn eigen fysieke tuin. Hij heeft gegeten; vergelijk de uitnodiging ertoe door de bruid in het vorige vers. Zijn vrienden zijn bij hem.

Anderen zien op de achtergrond het bruiloftsfeest. De oproep om te weten en te drinken zou de bruidegom tot zijn aanwezige vrienden richten. Het is dan misschien de afscheidsgroet van de bruidegom, wanneer hij met zijn bruid vertrekt uit de bruiloftszaal.[1] Deze uitleg past niet goed bij het slapen van de bruid in het volgende vers vermeld.

Hoogl. 5:2

Hoo 5:2  Ik sliep, maar mijn hart waakte, de stem mijns Liefsten, Die klopte, was: Doe Mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duive, Mijn volmaakte! want Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijn haarlokken met nachtdruppen. (SV)

Ik sliep... Dit sluit aan bij de droom die ze in 3:1v verhaalt. In die droom zoekt ze haar vriend, maar vindt hem aanvankelijk niet. In 3:4 echter vindt zij hem en houdt hem vast. Thans schijnt zij opnieuw te dromen. Het is wederom nacht. Nu komt hij opnieuw tot haar woning, zoals in 2:8v. De droom wordt echter in een nachtmerrie.

... maar mijn hart waakte. Het schijnt een toestand van half slapen, half waken.

Die klopte. Vergelijk:

Opb 3:20  Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik ook bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem houden en hij met Mij. (Telos)

Ten tweeden male komt de bruidegom tot haar woning. Vergelijk: de Heer Jezus heeft tweemaal de tempel, Gods huis op aarde, gereinigd.

Mijn hoofd is vervuld met dauw. Alsof hij, die herder is, in de nacht heeft gewaakt over zijn kudde. Alsof hij een deel van de nacht buiten heeft doorgebracht.

Mt 8:20  En Jezus zei tot hem: De vossen hebben holen en de vogels van de hemel nesten; maar de Zoon des mensen heeft geen plaats waar Hij zijn hoofd kan neerleggen. (Telos)

Hoogl. 5:3

Hoo 5:3  Ik heb mijn rok uitgetogen, hoe zal ik hem weder aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zal ik ze weder bezoedelen? (SV)

Hier antwoordt de bruid. Zij zegt niet ronduit dat zij Hem niet wil opendoen, zij zegt evenmin dat zij hem zal opendoen. Zij is niet gereed om Hem te ontvangen.

Hoogl. 5:4

Hoo 5:4  Mijn Liefste trok Zijn hand van het gat der deur; en mijn ingewand werd ontroerd om Zijnentwil. (SV)

Hier wordt niet van de tralies van het venster zoals in 2:9 gesproken, maar van de opening der deur om de grendels van binnen weg te schuiven[2].

Hoogl. 5:5

Hoo 5:5  Ik stond op, om mijn Liefste open te doen; en mijn handen drupten van mirre, en mijn vingers van vloeiende mirre, op de handvaten des slots. (SV)

Ze kan niet langer in bed blijven, nu hij zo dichtbij is en merkbaar binnen wenst te komen.

Mijn handen drupten van mirre, en mijn vingers van vloeiende mirre. In vers 1 zegt de bruidegom dat hij zijn mirre heeft geplukt. Haar handen, vingers druppen - in de droom, de toestand van half slapen, half waken - van mirre.

Hoogl. 5:6

Hoo 5:6  Ik deed mijn Liefste open, maar mijn Liefste was geweken, Hij was doorgegaan; mijn ziel ging uit vanwege Zijn spreken; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet, ik riep Hem, doch Hij antwoordde mij niet. (SV)

Ik deed mijn Liefste open, maar mijn Liefste was geweken, Hij was doorgegaan. Vergelijk de geboorte van de messias in de voorstelling van het laatste Bijbelboek:

Opb 12:5  En zij baarde een zoon, een mannelijk kind, die alle naties zal hoeden met een ijzeren staf; en haar kind werd weggerukt naar God en naar zijn troon. (Telos)

De vrouw in Openbaring kon hem niet meer als kind opvoeden.

Mijn ziel ging uit vanwege zijn spreken. Zij ging uit in haar droom.

Hoogl. 5:7

Hoo 5:7  De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij, zij sloegen mij, zij verwondden mij; de wachters op de muren namen mijn sluier van mij. (SV)

Ook in haar eerste droom ontmoet ze wachters:

Hoo 3:3  De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij: ik zeide: Hebt gij Dien gezien, Dien mijn ziel liefheeft? (SV)

Zij sloegen mij, zij verwondden mij enz. Ditmaal mishandelen zij haar. Hielden zij haar voor een lichtvaardig vrouwspersoon, omdat zij in de nacht langs de straten zwierf, terwijl zij de ronde deden?[1]

In tegenstelling met de eerste droom vindt zij haar vriend nu niet.

Hoogl. 5:8

Hoo 5:8  Ik bezweer u, gij dochters van Jeruzalem! indien gij mijn Liefste vindt, wat zult gij Hem aanzeggen? Dat ik krank ben van liefde. (SV)

Krank van liefde. Door haar sterk en nog onvervuld verlangen naar haar vriend.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901)
  2. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901). Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt.