Hooglied/Hoofdstuk 5

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Hoofdstuk 5 van het Bijbelboek Hooglied wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Hoogl. 5:1 In zijn hof en wijnhuis

Hoo 5:1 Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zuster, o bruid! Ik heb Mijn mirre geplukt met Mijn specerij; Ik heb Mijn honigraten met Mijn honig gegeten; Ik heb Mijn wijn, mitsgaders Mijn melk gedronken. Eet, vrienden! drinkt, en wordt dronken, o liefsten! (SV)

Het schijnt dat de bruidegom in zijn antwoord het beeld van de lusthof nu toepast, niet op zijn vriendin, maar op zijn eigen fysieke tuin. Hij heeft gegeten; vergelijk de uitnodiging ertoe door de bruid in het vorige vers. Zijn vrienden zijn bij hem. Vergelijk, ter staving van de gedachte dat hij in zijn eigen fysieke tuin is:

Hoo 6:1 Waar is uw Liefste heengegaan, o gij schoonste onder de vrouwen? Waarheen heeft uw Liefste het aangezicht gewend, opdat wij Hem met u zoeken?  Hoo 6:2  Mijn Liefste is afgegaan in Zijn hof, tot de specerijbedden, om te weiden in de hoven, en om de leliën te verzamelen. (SV)

Anderen zien op de achtergrond het bruiloftsfeest. De oproep om te weten en te drinken zou de bruidegom tot zijn aanwezige vrienden richten. Het is dan misschien de afscheidsgroet van de bruidegom, wanneer hij met zijn bruid vertrekt uit de bruiloftszaal.[1] Deze uitleg past niet goed bij het slapen van de bruid in het volgende vers vermeld.

Hoogl. 5:2 Hij klopte aan

Hoo 5:2  Ik sliep, maar mijn hart waakte, de stem mijns Liefsten, Die klopte, was: Doe Mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duive, Mijn volmaakte! want Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijn haarlokken met nachtdruppen. (SV)

Ik sliep... Dit sluit aan bij de droom die ze in 3:1v verhaalt. In die droom zoekt ze haar vriend, maar vindt hem aanvankelijk niet. In 3:4 echter vindt zij hem en houdt hem vast. Thans schijnt zij opnieuw te dromen. Het is wederom nacht. Nu komt hij opnieuw tot haar woning, zoals in 2:8v. De droom wordt echter in een nachtmerrie.

... maar mijn hart waakte. Het schijnt een toestand van half slapen, half waken.

Die klopte. Vergelijk:

Opb 3:20  Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik ook bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem houden en hij met Mij. (Telos)

Ten tweeden male komt de bruidegom tot haar woning. Vergelijk: de Heer Jezus heeft tweemaal de tempel, Gods huis op aarde, gereinigd.

Mijn duive, mijn volmaakte. Vergelijk wat hij later van haar zegt:

Hoo 6:9  Een enige is Mijn duive, Mijn volmaakte, de enige harer moeder, zij is de zuivere dergenen, die haar gebaard heeft; als de dochters haar zien, zo zullen zij haar welgelukzalig roemen, de koninginnen en de bijwijven; en zij zullen haar prijzen. (SV)

Mijn hoofd is vervuld met dauw. Alsof hij, die herder is, in de nacht heeft gewaakt over zijn kudde. Alsof hij een deel van de nacht buiten heeft doorgebracht.

Mt 8:20  En Jezus zei tot hem: De vossen hebben holen en de vogels van de hemel nesten; maar de Zoon des mensen heeft geen plaats waar Hij zijn hoofd kan neerleggen. (Telos)

Bedenk ook dat de Heer Jezus komt als de blinkende morgenster, dus wanneer het nog nacht is. Hij komt in de tweede, derde (Luc. 12:38) of vierde nachtwaak (Matth. 14:25).

Hoogl. 5:3

Hoo 5:3  Ik heb mijn rok uitgetogen, hoe zal ik hem weder aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zal ik ze weder bezoedelen? (SV)

Hier antwoordt de bruid. Zij zegt niet ronduit dat zij Hem niet wil opendoen, zij zegt evenmin dat zij hem zal opendoen. Zij is niet gereed om Hem te ontvangen.

Hoogl. 5:4

Hoo 5:4  Mijn Liefste trok Zijn hand van het gat der deur; en mijn ingewand werd ontroerd om Zijnentwil. (SV)

Hier wordt niet van de tralies van het venster zoals in 2:9 gesproken, maar van de opening der deur om de grendels van binnen weg te schuiven[2].

Hoogl. 5:5

Hoo 5:5  Ik stond op, om mijn Liefste open te doen; en mijn handen drupten van mirre, en mijn vingers van vloeiende mirre, op de handvaten des slots. (SV)

Ze kan niet langer in bed blijven, nu hij zo dichtbij is en merkbaar binnen wenst te komen.

Mijn handen drupten van mirre, en mijn vingers van vloeiende mirre. In vers 1 zegt de bruidegom dat hij zijn mirre heeft geplukt. Haar handen, vingers druppen - in de droom, de toestand van half slapen, half waken - van mirre.

Hoogl. 5:6

Hoo 5:6  Ik deed mijn Liefste open, maar mijn Liefste was geweken, Hij was doorgegaan; mijn ziel ging uit vanwege Zijn spreken; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet, ik riep Hem, doch Hij antwoordde mij niet. (SV)

Ik deed mijn Liefste open, maar mijn Liefste was geweken, Hij was doorgegaan. Vergelijk de geboorte van de messias in de voorstelling van het laatste Bijbelboek:

Opb 12:5  En zij baarde een zoon, een mannelijk kind, die alle naties zal hoeden met een ijzeren staf; en haar kind werd weggerukt naar God en naar zijn troon. (Telos)

De vrouw in Openbaring kon hem niet meer als kind opvoeden.

Mijn ziel ging uit vanwege zijn spreken. Zij ging uit in haar droom.

Hoogl. 5:7 Mishandeld door de wachters

Hoo 5:7  De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij, zij sloegen mij, zij verwondden mij; de wachters op de muren namen mijn sluier van mij. (SV)

Ook in haar eerste droom ontmoet ze wachters:

Hoo 3:3  De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij: ik zeide: Hebt gij Dien gezien, Dien mijn ziel liefheeft? (SV)

Zij sloegen mij, zij verwondden mij enz. Ditmaal mishandelen zij haar. Hielden zij haar voor een lichtvaardig vrouwspersoon, omdat zij in de nacht langs de straten zwierf, terwijl zij de ronde deden?[1]

In tegenstelling met de eerste droom vindt zij haar vriend nu niet.

Hoogl. 5:8 Krank van liefde

Hoo 5:8  Ik bezweer u, gij dochters van Jeruzalem! indien gij mijn Liefste vindt, wat zult gij Hem aanzeggen? Dat ik krank ben van liefde. (SV)

Krank van liefde. Door haar sterk en nog onvervuld verlangen naar haar vriend.

Hoogl. 5:9 Wat is uw liefste meer?

Hoo 5:9   Wat is uw Liefste meer dan een ander liefste, o gij schoonste onder de vrouwen! wat is uw Liefste meer dan een ander liefste, dat gij ons zo bezworen hebt! (SV)

Dit antwoord is van de dochters van Jeruzalem, zie vers 8 en 16.

O gij schoonste onder de vrouwen. Deze woorden komen ook voor in 1:8 en 6:1. Zie Hooglied/Onderwerpen.

Hoogl. 5:10 Zijn kleur en banier

Hoo 5:10  Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tien duizend. (SV)

In dit vers en vervolgens blijkt dat, in haar ogen, "al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste; ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem!" (5:16)

Blank en rood. Rood of roodachtig, in het Hebr. het bijvoeglijk naamwoord adom. De eigennaam Adam, Hebr. adam, betekent 'rood'.

Is zij 'zwartachtig' door de zon (1:6), hij is blank. Blank en rood is hij, zijn gelaat, zijn armen, zijn benen. Blank is de kleur van zijn vlees en rood die van zijn bloed. Zij lijkt hem te beschrijven als van hoge adel, van voortreffelijke opvoeding en van voorname stand.[1]

Hij draagt de banier boven tien duizend. Wie de banier droeg was boven alle helden zichtbaar, stak met zijn banier boven allen uit. 'De banier dragen boven tienduizend' is hier een figuurlijke uitdrukking, om ook daarmee zijn onovertrefbare schoonheid aan te duiden. Zo wil zij zeggen: hij overtreft allen in schoonheid, hij is boven zovele mannen die mooi genoemd kunnen worden en verdienen geliefd te worden.[1]

Van de Christus Gods gezegd, wordt daarmee Zijn onovertrefbare schoonheid ten opzichte van Zijn volk aangewezen. Hij is blank vanwege zijn reinheid, zijn smetteloosheid, zijn gehoorzaamheid. Hij is de zuivere, onbevlekte mens.

Heb 7:26  Want zo’n hogepriester paste ons ook: heilig, onschuldig, onbesmet, gescheiden van de zondaars en hoger dan de hemelen geworden; (Telos)

Hij is rood vanwege zijn bloed, zijn bloedig lijden tot in de dood[3], zijn bloedstorting tot verzoening der zonde, tot uitdelging van schuld en straf beide. Hij is de laatste Adam, de laatste Rode. Wanneer hij in de wereld terugkomt, is Hij bekleed - zo ziet Johannes hem in zijn visioen - met een in bloed gedoopt kleed.

Opb 19:13  En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en zijn naam wordt genoemd: het Woord van God. (Telos)

God heeft Christus gezet boven en over alles.

Efe 1:21  boven alle overheid, gezag, kracht en heerschappij en elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze, maar ook in de toekomstige eeuw. Efe 1:22  En Hij heeft alles aan zijn voeten onderworpen en Hem als hoofd over alles gegeven aan de gemeente, (Telos)

Om zijn gehoorzaamheid tot de dood heeft God hem de naam geschonken 'boven alle naam'.

Flp 2:9  Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam geschonken die boven alle naam is, (Telos)

Hoogl. 5:11 Zijn hoofd

Hoo 5:11  Zijn hoofd is van het fijnste goud, van het dichtste goud; Zijn haarlokken zijn gekruld, zwart als een raaf. (SV)

De bruid begint nu de onderdelen van zijn lichaam op te sommen en de schoonheid daarvan te melden, waardoor zij straks tot de uitroep komt, dat al wat aan hem is, is geheel begeerlijk[4].

Drie onderdelen van zijn lichaam zijn in de ogen van bruid 'goud': zijn hoofd, zijn handen en zijn voeten. Dat zijn ook de onderdelen die bij Jezus zijn mishandeld, verwond. Men een rietstok sloeg men op zijn hoofd, ze gaven hem kaakslagen en drukten een doornen kroon op zijn hoofd. Zijn handen en voeten werden 'doorgraven' (Ps. 22, Statenvertaling), 'doorboord' (Ps. 22, NBG51).

Zijn hoofd is van het fijnste goud, van het dichtste goud. Eén uitlegger stelt zich dat zo voor: zijn gehele hoofd, zijn fris en blozend aangezicht, zoals het uit het gitzwarte van met de gouden kroon versierde haren voortkomt, is uit de verte gezien als van het fijnste, roodachtig, glinsterende goud[1].

Het statenbeeld van Daniël heeft een hoofd dat van goud is. Dat hoofd stelt de koning Nebukadnezar voor en spreekt van de uitnemende heerlijkheid van zijn rijk en heerschappij.

Het Nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel is, is zuiver goud (Opb. 21:18, 21).

Zijn haarlokken zijn gekruld, zwart als een raaf. 'Gekruld', woordelijk: 'heuvel aan heuvel'[1]. Anderen vertalen: 'golvend' (NBG51), 'palmtakken' (Canis), 'jonge palmtakken' (NaB), 'palmtwijgen' (Lei), 'dadelristen' (WV78), 'dadeltrossen' (NBV2004), 'borstelig' (WV95). In het Engels: 'bushy' (AV), 'flowing' (Darby, Young's literal translation), 'curly' (NET Bible). Zijn haar is in dicht aan elkaar liggende rijen van lokken[1], of golvend, krullend, en daarbij glinsterend zwart als een raaf.

Zwart is het haar van jeugdigen, grijs of wit dat van de ouden.

Van de Christus Gods gezegd, beschrijft de bruid, in de verzen 11 en volgende, alles, wat in Hem beminnelijk is. In tien bijzonderheden beschrijft zij zijn schoonheid, met het oogmerk om te tonen dat hij in alles tot zijn onderneming wel bevoegd was, en tevens alles in zich had, om onze achting, liefde en vertrouwen te winnen.[4]

Het gouden hoofd en de zwarte haarlokken duiden op Zijn koninklijke macht en Zijn onveranderlijke heerschappij. Is het witte haar het teken van de ouderdom en daarom ook van de eeuwigheid, het zwarte haar is het teken van de jeugd maar ook van onveranderlijkheid.

Hoogl. 5:12 Zijn ogen

Hoo 5:12  Zijn ogen zijn als duiven bij de waterstromen, met melk gewassen, zittend bij een volheid. (CP[5])

Iets dergelijks zegt de bruidegom van de ogen van de bruid.

Hoogl. 1:15 Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! Zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duiven [ogen].

Zijn ogen zijn als duiven bij de waterstromen, met melk gewassen. Zijn ogen zijn zo helder schitterend en mild in hun wit, zo donker schijnend in hun appels als duiven die bij de waterstromen zitten en zich daarin als met melk gewassen hebben.

Als duiven. Dat hij aan duiven moet denken, komt wellicht door de oogleden, die door hun sluiten en openen doen denken aan de vleugelslagen van een duif. De duif is een vreedzaam, oprecht, liefelijk dier. De duif wordt in het Hooglied van Salomo nogal eens aangehaald om liefelijkheid aan te duiden en tedere gevoelens uit te drukken. De Heer Jezus stelde het oprecht zijn van de duiven tot voorbeeld,

Mt 10:16 Zie, Ik zend u als schapen midden onder wolven, weest dan voorzichtig als de slangen en oprecht als de duiven. (Telos)

Bij de waterstromen. Dat de schrijver aan waterstromen moet denken, komt wellicht door het oogvocht.

Bij verdriet kunnen tranen uit onze ogen stromen. Onze Heiland heeft geweend bij het graf van Lazarus en over Jeruzalem, zie Jezus Christus#Zijn wenen. Vergelijk:

Ps 119:136  Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden. (SV)

De 'wenende profeet' Jeremia zei:

Jer 9:1 Och, dat mijn hoofd water ware, en mijn oog een springader van tranen! zo zou ik dag en nacht bewenen de verslagenen van de dochter mijns volks. (SV)

Jer 13:17  Zult gijlieden dat dan nog niet horen, zo zal mijn ziel in verborgene plaatsen wenen vanwege den hoogmoed, en mijn oog zal bitterlijk tranen, ja, van tranen nederdalen, omdat des HEEREN kudde gevankelijk is weggevoerd. (SV)

Paulus had om het lot van zijn volksgenoten een grote droefheid en gedurige smart.

Ro 9:2  dat ik grote droefheid heb en een onophoudelijke smart in mijn hart. (Telos)

Ogen kunnen ook tranen van ontroering die geen verdriet is, bijvoorbeeld van dankbaarheid en verwondering.

Lu 7:38  ging wenend achter Hem staan, bij zijn voeten, en begon zijn voeten met haar tranen nat te maken en droogde ze af met de haren van haar hoofd, en zij kuste zijn voeten innig en zalfde ze met de balsem. (Telos)

Met melk gewassen. Er zijn ander vertalingen dan 'met melk gewassen'. Naardense vertaling; 'witgewassen als met melk'. NBG51-vertaling: 'badend in melk'. Het wit van de oogappel samen met het oogvocht doet denken aan melk.

Zittend bij een volheid. Statenvertaling: 'Staande [als] in kasjes [der ringen]'. Als in kasjes gevatte stenen, zoals bij ringen met een edelsteen. Een kas is een holte waarin iets gevat is. In de oogkas is een oog gevat.

Andere vertalingen: 'zittend bij een overvloedige bron' (NBG51), 'gezeten bij een volle rivier' (NaB), 'zittend bij een volle bron' (HSV). Het Hebreeuwse woord vertaald door 'kasjes', 'overvloedige bron', 'volle rivier', 'volle bron' is milleth. Het komt in de Schrift alleen op deze plaats voor. De betekenis is onzeker.

Hoogl. 5:13 Zijn wangen en lippen

Hoo 5:13  Zijn wangen zijn als een bed van specerijen, [als] welriekende torentjes; Zijn lippen zijn als leliën, druppende van vloeiende mirre. (SV)

Zijn wangen zijn als een bed van specerijen. Zijn wangen, met hun mooie volle baard zijn als een geurig specerijbed, zacht en welriekend. In plaats van 'bed van specerijen' hebben anderen vertaald 'balsembedden', 'balsemtuinen', 'kruidentuin'.

Welriekende torentjes. Anderen vertalen 'perken van kruiden' (NBG51), 'torentjes met kruiden' (HSV), 'torens van kruiden' (WV95), 'torens van reukwerken' (WV78), 'zalvingskruiden' (NaB). De voorstelling is van een specerijbed waarop - aldus Karl August Dächsel - hoogten van welriekende planten pyramidaalsgewijze geplant zijn[1]. Misschien mogen wij ook denken aan plukjes van de baard die aldus worden verbeeld.

Zijn lippen zijn als de leliën. Ze zijn lieflijk fris als de lelies. Misschien dat zijn mond aan de klokvormige bloem van de lelie doet denken. Naar de lelies wordt meermaals verwezen in Hooglied, zie Hooglied/Onderwerpen#Lelies.

Druppende van vloeiende mirre. Misschien een beeld van de liefelijke geur van zijn adem als van vloeiende mirre. Of van de liefelijkheid van zijn woorden. Op geestelijke wijze verstaan wil dit beeld wellicht zeggen dat de redenen van de Heer Jezus lieflijkheid en waarheid zijn, tot verlustiging, tot sterking, tot genezing[1]. Ook valt te denken aan Zijn lijden. Immers, de mirre is een symbool van lijden, zie Mirre. De Heer sprak meermalen van het lijden dat Hem op deze aarde wachtte. Zijn Zelfovergave tot het lijden van de dood strekte tot een welriekende offerande aan God.

Vergelijk:

Hoo 5:5  Ik stond op, om mijn Liefste open te doen; en mijn handen drupten van mirre, en mijn vingers van vloeiende mirre, op de handvaten des slots. (SV)

Hooglied 1:13 Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre, [dat] tussen mijn borsten vernacht. (SV)

Hoogl. 5:14 Zijn handen en buik

Hoo 5:14  Zijn handen zijn [als] gouden bogen, gevuld met turkoois; Zijn buik is als blinkend elpenbeen, overtogen met saffieren. (CP[5])

Handen, buik, benen, voeten, gestalte. Dat zijn de lichamelijke dingen die in dit en het volgende vers worden beschreven. De beschrijving is in termen van edele materialen (goud, turkoois, saffier, ivoor, marmer) en edele fiere bomen (ceder). Vergelijk de beschrijving van de bruid van het Lam, de gemeenschap der heiligen in de hemel, als een stad van goud en edelstenen èn geneeskrachtig geboomte. Ook de satan, de vorst achter de koning van Tyrus, wordt in zijn oorspronkelijke schoonheid beschreven in termen van edelstenen en goud, Ezech. 28:12v.

Zijn handen zijn [als] gouden bogen. In plaats van 'bogen' hebben andere vertalingen: 'ringen' (SV, HSV), 'rollen' (NBG51, NaBoth), 'staven' (WV78, WV95, NBV2004). 'Bogen' past bij gebogen vingers, 'rollen' bij gesterkte vingers, 'staven' bij gestrekte handen of vingers, 'ringen' bij de houding van vingers in vuisten. 'Gouden' verwijst naar goudkleurige geelrode huid.

Gevuld met turkoois. Het edelgesteente turkoois heeft een blauwe of blauwige kleur. Dit ziet als beeld op de aderen, die door het lichaam lopen en een blauwe gloed aangeven, de schoonheid vergrotend.

Zijn buik is als blinkend elpenbeen. Elpenbeen, lett. Olifantsbeen, is de oude naam voor ivoor. In het Duits spreekt men nog van Elfenbein. Zijn edel gevormde buik is als blinkend ivoor.

Overtogen met saffieren. Overtogen: overdekt, bedekt. Saffier is een veelal blauwe edelsteen. Ook turkoois is een blauwe edelsteen. Dit ziet misschien als beeld op de aderen, die door het lichaam lopen en een blauwe gloed aangeven, de schoonheid vergrotend. De Bruid noemt ook dit deel van het lichaam op, om daarmee te kennen te geven, dat al wat aan Hem is, mooi en aantrekkelijk is[2].

Hoogl. 5:15 Zijn benen

Hoo 5:15  Zijn benen zijn als marmeren pilaren, gegrond op voeten van het dichtste goud; Zijn gestalte is als de Libanon, uitverkoren als de cederen. (CP[5])

Zijn benen. Of onderbenen.

Zijn als marmeren pilaren. 'Witmarmeren zuilen' (NBG51), 'witmarmeren pilaren' (HSV). Zijn (onder)benen zijn sterk en glinsterend als kunstig gehouwen marmeren pilaren[2].

Voeten van het dichtste goud. Zijn benen en voeten spreken van sterkte en heerlijkheid en macht. De Heer Jezus heeft de macht om met zijn adem te doden en met zijn voeten te verpletteren. Het zaad van de vrouw zal de kop van de slang vermorzelen.

1Co 15:25  Want Hij moet regeren, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten heeft gelegd. (Telos)

Efe 1:22  En Hij heeft alles aan zijn voeten onderworpen en Hem als hoofd over alles gegeven aan de gemeente, (Telos)

Heb 1:13  Tot wie van de engelen echter heeft Hij ooit gezegd: ‘Zit aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden stel tot een voetbank voor uw voeten’? (Telos)

Heb 10:13  en wacht voortaan, totdat zijn vijanden gelegd worden tot een voetbank voor zijn voeten. (Telos)

Opb 1:17  En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan zijn voeten; en Hij legde zijn rechterhand op mij en zei: Vrees niet, Ik ben de eerste en de laatste, (Telos)

In het laatste Bijbelboek ziet Johannes de voeten van de Heer Jezus:

Opb 1:15  en zijn voeten aan blinkend koper gelijk, als gloeiden zij in een oven, ... (Telos)

Opb 2:18  En schrijf aan de engel van de gemeente in Thyatira: Dit zegt de Zoon van God, die zijn ogen heeft als een vuurvlam en zijn voeten aan blinkend koper gelijk: (Telos)

De straten van het hemelse Jeruzalem zijn van goud.

Zijn gestalte is als de Libanon, uitverkoren als de cederen. Zijn gehele gestalte is majestueus en hoog verheven als de Libanon, uitverkoren, en alle mannen overtreffend als de grote cederen, die de top van den Libanon kronen, en alle andere geboomten in hoogte overtreffen.

Hoogl. 5:16 Zijn mond

Hoo 5:16  Zijn gehemelte is enkel zoetigheid, en al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste; ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem! (SV)

Zijn gehemelte. Of mond. Vergelijk:

Hoo 5:16   Zijn mond is een en al zoetigheid. Hij is de aantrekkelijkheid zelf. Zo is mijn lief, zo is mijn vriend, dochters van Jeruzalem. (WV95)

Hoo 5:16  Zijn mond is zoet, aan hem is alles begeerlijk. Dit is mijn lief, dit is mijn vriend, meisjes van Jeruzalem! (NBV2004)

Het Hebreeuwse woord vertaald door 'gehemelte' is חך, chek. Dit betekent 'gehemelte, mond, smaak, tandvlees', en houdt verband met "proeven"[6]. De meeste Nederlandse vertalingen hebben 'gehemelte' of 'verhemelte'. Luther vertaalde door 'keel', ook de Petrus Canisius vertaling zet aldus over. Het Hebreeuwse woord komt 18x in het Oude Testament voor.

In 5:13 slaat 'druppen' waarschijnlijk op de woorden van haar vriend. Hier ziet 'gehemelte' of 'mond' waarschijnlijk op "de kussen van Zijn mond" (1:2).

Hoo 1:2  Hij kusse mij met de kussen Zijns monds; want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn. (SV)

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 1,4 1,5 1,6 1,7 1,8 Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901)
  2. 2,0 2,1 2,2 Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901). Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt.
  3. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), denkt bij blank aan Zijn dadelijke gehoorzaamheid en bij rood aan Zijn lijdelijke gehoorzaamheid.
  4. 4,0 4,1 Aldus Henry, aangehaald in: Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901)
  5. 5,0 5,1 5,2 Vertaling op Christipedia, gebaseerd op een verbetering van de Statenvertaling.
  6. Hebreeuws-Nederlands Lexicon; op basis van Strong-coderingen. Onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia. Het is gebaseerd op het Engelstalige Online Bible Hebrew-Englisch Lexicon van Larry Pierce.