Israël (naam)

Uit Christipedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Israël is de naam van de aartsvader Jacob, van zijn nakomelingen ('volk Israel'), van het Tienstammenrijk ('Israel' onderscheiden van 'Juda') en van het land dat God aan Abraham, Izak en Jacob heeft beloofd, zie Israël (land).

"Israël" - in het Hebreeuws als Jisraël uitgesproken - was de tweede naam van Jakob. God gaf hem de naam nadat Jacob geworsteld had met de man Gods aan de rivier Jabbok. Jacob noemde de plaats van de worsteling 'Pniël' = 'Aangezicht  van God'.

Ge 32:24 Zo bleef Jakob alleen achter. En een man worstelde met hem, totdat de dag aanbrak. Ge 32:25 Toen deze zag, dat hij hem niet overmocht, sloeg hij hem op zijn heupgewricht, zodat Jakobs heupgewricht ontwricht werd, terwijl hij met hem worstelde. Ge 32:26 Toen zeide hij: Laat mij gaan, want de dageraad is gekomen. Maar hij zeide: Ik laat u niet gaan, tenzij gij mij zegent. Ge 32:27 Daarop zeide hij tot hem: Hoe is uw naam? En hij zeide: Jakob. Ge 32:28 Toen zeide hij: Uw naam zal niet meer Jakob luiden, maar Israel, want gij hebt gestreden met God en mensen, en gij hebt overmocht. (NBG51)

Ge 32:29 Daarop vroeg Jakob: Zeg mij toch uw naam. Maar hij antwoordde: Waarom vraagt gij toch naar mijn naam? En hij zegende hem daar. (NBG51)

Ge 35:9 En God verscheen Jakob wederom, als hij van Paddan-aram gekomen was; en Hij zegende hem.

Ge 35:10 En God zeide tot hem: Uw naam is Jakob, uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij noemde zijn naam Israël. (SV)

De naam Israël betekent volgens Gen. 32:27 "strijder Gods", d.w.z. de man die met God gestreden heeft. De Naardense vertaling heeft:

Ge 32:28 (32:29) Hij zegt: niet ‘Jakob’, - hij licht de hiel, zal nog worden gezegd als je naam, maar ‘Israël’, - vechter met God - want gevochten héb je, met God en met mensen en je hebt overmocht! (NB)

'Israël' is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord sarah, 'strijden' en de Hebreeuwse naam El, 'God'.

Van Ronkel[1] geeft als mogelijke betekenis "die om de voorrang strijdt met een goddelijk wezen", indien de naam is afgeleid van het werkwoord Saroh of Sôr, 'om de voorrang strijden' en El. (Hos. 12:4-5).

Anderen geven een betekenis op etymologische gronden, bijv. "een vorst Gods, of die vorstelijke macht heeft met God"[2]. Van Ronkel[1] geeft als mogelijke betekenis "vorst Gods" of "held Gods", van sarôr, 'heer zijn, heersen', Gen. 35:10. Volgens Van Griethuijsen is de vertaling 'vorst van God" moeilijk te verdedigen[3].

De strijd of het gevecht van Jacob aan de Jabbok was een worsteling.

Jacob worstelde met een man, met een verschijning, met Iemand in mannelijke gestalte.

De worsteling duurde tot de dag aanbrak.

Jacob overmocht. Dat betekent: Jacob heeft de worsteling "uitgestaan, die God hem aandeed, en overwonnen"[2]. Jacob verduurde, hield stand en zó overwon hij.

Uit deze worsteling komt Jacob echter kreupel, mank te voorschijn, doordat hij door de man aan zijn heup geslagen is.

De naam Israël wordt in de Schrift meer als volksnaam, terwijl die van Jakob meer als persoonsnaam gebezigd wordt; zoals: Kinderen van Israël (Israëlieten), Gen. 32:32vv.; Huis Israëls, Ex. 36:31vv; Gemeente, Vergadering en Land van Israël, Exod. 12: 3, Deut. 31: 30, 1 Sam. 13:19vv.

Toen, na Salomo's dood, de scheuring van de stammen plaats had, voerde het rijk der tien stammen de naam van Israël, en dat der stammen Juda en Benjamin die van Juda, naar de machtige stam van die naam, 1 Kon. 12: 1-20.

In Openbaring 2:17 belooft de Heer Jezus een nieuwe naam te geven aan wie overwint.

Opb 2:17 Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wie overwint, die zal Ik geven van het verborgen manna, en Ik zal hem een witte steen geven en op de steen een nieuwe naam geschreven, die niemand kent dan hij die hem ontvangt.

(TELOS)

De naam Israël is overgedragen op het nageslacht van Jacob, het tienstammenrijk en de staat Israël.

Bron

S.J. van Ronkel, Woordenboek der eigennamen, naar hunne eerste spelling en oorspronkelijke uitspraak met eene korte beschrijving de personen, landen en plaatsen, in het Oude Testament voorkomende, en voor het grootste gedeelte ook etymologisch behandeld. (Groningen: M. Smit, 1835) s.v. Israël. Hieruit is op 6 dec. 2013 tekst genomen en verwerkt. Van Ronkel was destijds hoofdonderwijzer aan een Joodse school en beëdigd vertaler.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 S.J. van Ronkel, Woordenboek der eigennamen, naar hunne eerste spelling en oorspronkelijke uitspraak met eene korte beschrijving de personen, landen en plaatsen, in het Oude Testament voorkomende, en voor het grootste gedeelte ook etymologisch behandeld. (Groningen: M. Smit, 1835) s.v. Israël. Van Ronkel was destijds hoofdonderwijzer aan een Joodse school en beëdigd vertaler.
  2. 2,0 2,1 Kanttekeningen op de Statenvertaling, bij Gen. 32:28
  3. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op gen. 32:28.