Jaïrus

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Jairus (= Jah verlicht) was een overste van een synagoge, wiens dochtertje Jezus uit de doden opwekte. Zie Mark. 5: 22 vv., Luk. 8: 41 vv. en Matth. 9: 18 vv.,

Naam. De naam in de Griekse grondtekst van het Nieuwe Testament is Ιαειρος, Jaeiros, de Griekse vorm van het Hebreeuwse Jaïr[1], en betekent "Jah verlicht". Jaïrus komt 2x voor in het Nieuwe Testament. Het Strongnummeri is 2383. Mattheus verhaalt de geschiedenis zonder Jaïrus naam te noemen.

Hij was een van de oversten van een synagoge (Marc. 5:22). Zo'n bestuurder regelde de dienst van de synagoge en beheerde het gebouw. Een synagoge kon meer dan één bestuurder hebben.

Hnd 13:15 En na het lezen van de wet en de profeten zonden de oversten van de synagoge een boodschap tot hen en zeiden: Mannen broeders, als u een woord van bemoediging voor het volk hebt, zegt het. (Telos)

Volgens sommigen was deze synagoge die van Kapernaüm[2]. Nadat Jezus van het land van de Gerasenen was overgevaren, kwam hij, zegt Matth. 9:1, in zijn eigen stad, dat is Kapernaüm (Matth. 4:13). Volgens anderen was de synagoge waarschijnlijk bij de westkust van het Meer van Galilea[3].

La fille de Jairus (De Dochter van Jaïrus). Door Herbert Gustave Schmalz.

Volgens Marcus smeekte de overste hem: "mijn dochtertje ligt op haar uiterste; komt toch en leg haar de handen op, opdat zij behouden wordt en leeft" (Marc. 5:23). Volgens Mattheüs zei de overste, toen hij bij Jezus kwam, "mijn dochter is zojuist gestorven; maar komt en leg uw hand op haar, en zij zal leven" (Matth. 9:18). In het verslag van Marcus verneemt de overste dat zijn dochtertje is gestorven. Mattheus zag op hetgeen geboodschapt was, namelijk dat het meisje intussen gestorven was (Marc. 5:35 }. Mattheüs is kort en trekt de bijzondere omstandigheden samen. Hij vermeldt het resultaat (de dood van het meisje), zoals hij ook doet in het geval van de knecht van de centurion (Matth. 8:5 enz). Het verhaal van Marcus is veel omstandiger. Wij leren eruit, dat Jaïrus uit zijn huis gaande, zijn dochtertje in doodsnood gelaten had, en dat hij pas onder zijn gesprek met de Heiland droeve tijding van haar overlijden gekregen had.

Jaïrus' geloof in Jezus' macht werd niet beschaamd. Met een kort machtswoord, overgeleverd in het Aramees, "Talitha koem!", roept Jezus haar tot het leven terug. "Alsof men door het herhalen van deze uiterst korte zin heeft willen zeggen: zo groot was zijn macht, dat Hij door dit woord met hetzelfde gemak een dode opwekt zoals wij iemand wakker maken na een genoten nachtrust."[4]

Dat het kind werkelijk gestorven was, blijkt duidelijk uit de beschrijving van Lukas "zij wisten dat zij gestorven was" (Luk. 8:53) en zijn uitdrukking „haar geest keerde terug" (vers 55), namelijk in het lichaam, waaruit hij gegaan was. Het 'slapen' (Luk. 8 : 52) is dus slechts in die zin te verstaan, evenals in Joh. 11: 11 vv., dat de dood voor de gelovige een toestand is waaruit hij weer ten leven gewekt zal worden. Jezus duidt de dood aan zoals God die beschouwt: een slaap waaruit we ontwaken op de jongste dag.

Bronnen

H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Eerste deel A - J. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1867) s.v. Jaïrus. Tekst hiervan is op 23 feb. 2019 verwerkt.

Grieks-Nederlands Lexicon, onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia.

J. van Nuys Klinkenberg, De Bijbel, door beknopte uitbreidingen en ophelderdende aanmerkingen, verklaard. Negentiende deel. Amsterdam, 1789. Commentaar bij Marc. 5:23. Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 23 feb. 2019.

Voetnoten

  1. De naam Jaïr komt 9x voor in het Oude Testament, bijvoorbeeld in Esther 2:5.
  2. H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Eerste deel A - J. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1867) s.v. Jaïrus.
  3. Grieks-Nederlands Lexicon, onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia.
  4. Dr. ir. J. de Graaf e.a. (red.), Tekst voor Tekst; de Heilige Schrift kort verklaard en toegelicht (Boekencentrum, 1987), commentaar bij het desbetreffende gedeelte in Marcus.