Jacobus Overduin

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Jacobus Overduin.jpg

Jacobus (Koos) Overduin (1902-1983) was een Nederlandse predikant in de Gereformeerde Kerken in Nederland. Om zijn openlijk protest tegen de beperking van het christelijk onderwijs door de Duitse bezetter kwam hij in concentratiekamp Dachau terecht. Door zijn boek Hel en hemel van Dachau werd ds. J. Overduin een breed gelezen schrijver. Door zijn bijdragen voor de NCRV-radio werd hij een bekend spreker.

Hij werd geboren op 27 september 1902 te Leiden. Zijn ouders waren de Leidse wol- en sajethandelaar Jacobus Overduin Gzn en Maartje Colijn. Koos (roepnaam) groeide op in een christelijk gereformeerd gezin met negen kinderen. Zijn vader kwam van oorsprong uit de Nederlandse Hervormde Kerk en was een geestverwant van de theoloog Hermann Friedrich Kohlbrugge. In de christelijk-gereformeerde kerk kreeg Jacobus junior catechese. Na zijn gymnasiumopleiding koos hij voor een studie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en het predikantschap in de Gereformeerde Kerken. Tijdens zijn academische studie viel Koos Overduin op door zijn sociale en missionaire instelling. Zo organiseerde hij in de Amsterdamse Kinkerbuurt debatavonden met andersdenkenden.

Sleen. In 1930 werd hij tot predikant werd bevestigd in Sleen, een dorp in de Nederlandse provincie Drenthe. Hij hield er lezingen over onderwerpen als Christendom en socialisme, waarmee hij ook buitenkerkelijken trok. Zijn aandacht voor de sociale consequenties van het christelijk geloof, tegenover een eenzijdige nadruk op het persoonlijk geestelijk heil, bezorgde hem de bijnaam 'de rode dominee'.

Kampen. Na Sleen werd hij predikant in Kampen (1933). In het Kamper Nieuwsblad kreeg hij een vaste rubriek. Hij schreef er meerdere boeken over evangelisatie en gemeenteopbouw. Hij zette er plaatselijk evangelisatiewerk op en ontwikkelde sociale activiteiten voor de vele werklozen. Door zijn bijdragen voor de NCRV-radio kreeg hij landelijke bekendheid.

Arnhem en Dachau. Na Kampen diende hij vanaf 1939 in Arnhem. In 1942 raakte betrokken bij een schoolstrijd in de Gelderse stad. Vanaf de kansel keerde hij zich tegen in niet mis te verstane woorden tegen toezicht door de Duitse bezetter op het christelijk onderwijs. In de kerk zaten twee SD-agenten. Overduin wist wat wat er op het spel stond. Op gevangenschap was hij voorbereid. Dezelfde dag, 8 februari 1942, volgde zijn arrestatie. Na een verblijf van enkele maanden in kamp Amersfoort en een aantal Duitse gevangenissen werd de predikant op 26 juni naar concentratiekamp Dachau afgevoerd. Hij arriveerde er samen met bijna zeventig anderen. Drie zouden het kwam overleven. Onder zijn barakgenoten in het kamp waren de rooms-katholieke hoogleraar Titus Brandsma, de hervormde predikanten Cohen en De Geus, en de gereformeerde predikanten Kapteyn en Sierksma. Zij overleden aan de ontberingen.

Overduin lag weken in het Krankenrevier, maar bleef in leven. Op 9 oktober 1943 werd hij vrijgelaten, dankzij de herhaalde verzoeken van kerkelijke zijde. In Arnhem kon Overduin zijn werk tijdens de oorlog niet hervatten. Daarom ging hij aan de slag in Kampen.

In 1944 moest Arnhem geëvacueerd worden. Overduin was er betrokken bij het onderbrengen van gemeenteleden. In hetzelfde jaar had de Vrijmaking plaats, die de Gereformeerde Kerken diep beroerde. Overduin stelde zich achter de besluiten van de Generale Synode. De kerkopvatting van de theoloog Klaas Schilder was hem te rationalistisch.

De verschrikkingen, de ontberingen en zijn kampervaringen in Dachau beschreef hij na de oorlog in zijn boek Hel en hemel van Dachau (1945). In 1978 verscheen hiervan een Engelse vertaling onder de titel Faith and victory in Dachau. Zijn Broer Leendert had tijdens de Duitse bezetting ongeveer 1100 joden verborgen en ontving hiervoor de Israëlische Yad Vashem-onderscheiding.

Amsterdam. Van 1946 tot 1953 diende Overduin in Amsterdam, eerst als gemeentepredikant, vanaf 1948 als evangelisatiepredikant. Hij gaf les aan het Gereformeerd Evangelisatiecentrum, leidde cursussen en studiedagen. Hij sprak met andere bekende predikanten op interkerkelijke evangelisatiesamenkomsten en publiceerde in tal van bladen.

Veenendaal. Omdat het werk in Amsterdam hem te zwaar werd, nam hij in 1953 een beroep naar Veenendaal aan. Elf jaar later, in 1964, ging hij er om gezondheidsredenen met vervroegd emeritaat.

De zware tijd in Dachau had hem lichamelijk en psychisch aangedaan. De herinneringen aan Dachau veroorzaakten bij Overduin echter geen wrok tegen Duitsers. Tijdens de Hongaarse revolutie, in 1956, was hij helemaal van de kaart omdat Hongarije aan zijn lot werd overgelaten. Eens is hij er bijna een jaar uit geweest wegens een depressie.

In Veenendaal had hij intellectueel gezag, zo getuigde een ouderling[1]. Hij heeft er een leerhuis gehouden over geloof en psychologie[1].

Na zijn emeritaat in 1964 ging hij door met schrijven, spreken en preken. Vanaf 1962 was hij redactielid van het Centraal Weekblad, en van 1971 tot 1973 hoofdredacteur. Hij was ere-lid van het Confessioneel Gereformeerd Beraad.

Dienaar van het Woord. Overduin was een bijzonder begaafd prediker en spreker. Predikant, theoloog en journalist Klaas Runia (1926-2006) typeerde als iemand die vóór alles een dienaar van het Woord was. "Hij was een bijzonder begaafd preker en spreker. Eén van de kerkvaders kreeg de bijnaam 'Chrysostomos', de man met de gouden mond. Ds. Overduin was een moderne Chrysostomos."[2] Een ouderling van de gereformeerde kerk in Veenendaal waar Overduin voorging, zei: „Overduin was een joyeuze kerel: hooggestemd en enthousiast. Hij praatte veel en boeiend." "Het was altijd een genoegen om naar hem te luisteren. Hij sprak al improviserend, aan de hand van steekwoorden en gedachten die hij thuis had opgeschreven. Zo preekte hij ook, vol bezieling en met een piëtistische gloed."[1]

Pastorale herinneringen, die getuigen van zijn menslievendheid en wijsheid in de omgang met gelovigen en ongelovigen, legde hij vast in zijn boek Zo waren ze ... pastorale herinneringen (1970)

Evenwichtig. Hij stond zeer kritisch tegenover het intellectualisme en rationalisme dat zich in allerlei vormen van kerkelijk werk (prediking, jeugdwerk, synodale besluiten) uitte en legde sterke nadruk op de beleving van het geloof. Hij was het niet eens met de kerkopvatting van Klaas Schilder.

In latere jaren, vooral in de jaren 60 en 70, toen de preken van gereformeerde voorgangers meer horizontalistisch werden, met alle nadruk op wat wij mensen in deze wereld moeten doen, begon Overduin nadrukkelijk het verticale aspect van het evangelie naar voren te brengen. Er werd van hem gezegd: ‘Hij is altijd zo evenwichtig, hij slaat nooit door naar uitersten, hij ziet altijd dat een zaak meerdere kanten heeft’.

"In mijn prediking en pastoraat heb ik altijd een integraal evangelie willen brengen, dat Christus zowel Verlosser als voorbeeld is. Niet het één ten koste van een ander"[3].

"Ik erken dat het evangelie ruim is en dat het zich helemaal niet beperkt tot de menselijke ziel alleen, maar tot de hele mens, ja, tot de hele wereld. Maar we moeten niet vergeten, dat Christus - hoewel Hij de hele wereld op het oog heeft - altijd begint met het slaan van een bruggehoofd in het hart van de mens. Dat hij of zij wedergeboren wordt. Dat is voor alles noodzakelijk. Als je daar niet meer vanuit wilt gaan, wordt het evangelie gehumaniseerd tot een soort moraal of een idealisme en wordt Jezus uitsluitend een voorbeeld".[4]

Vasthoudend. Was hij in zijn beginjaren een progressieve gereformeerde, in Veenendaal werd Overduin steeds behoudender. Met grote zorg zag hij de vervlakking van de boodschap en de veranderende visie op het gezag van de Schrift en de teloorgang van de vroomheid in de Gereformeerde Kerken, de invloed van moderne theologen als Wiersinga en Kuitert, de toenemende horizontalisering. Terwijl men in dat kerkverband de eerste hoofdstukken van Genesis als een loflied op de Heer van de schepping ging zien, benadrukte Overduin het oude standpunt dat het begin van Genesis een feitelijk verslag van de schepping geeft. Ook pleitte hij voor het handhaven van de kerkelijke tucht.

Gebedsverhoring. Eens deed hij een vurig gebed bij een stervend kind, in het vaste geloof dat het weer zou leven, en dat gebeurde ook[1].

Zondag 1 van de Heidelberger Catechismus was hem uit het hart gegrepen. Hij zei eens:

"Ik geloof niet dat je het beter kunt zeggen dan Zondag 1 van de Catechismus. De hele verlossing die Christus teweegbrengt in het mensenleven, die geweldige ommekeer; dat je niet meer zelf koning bent, maar dat je een andere Heer hebt gekregen, die tegelijkertijd Verlosser is. Het is de allesomvattende troost in leven en in sterven. Het is niet alleen aanzet tot stervensgenade, maar ook tot levensgenade, want je gaat voortaan Hem dienen. Ik blijf erbij dat je in Zondag 1 eigenlijk alles aantreft."

In een van zijn laatste gesprekken met de gereformeerde hoogleraar K. Runia liet hij weten: „Ik bid alleen nog maar veel om de Heilige Geest, zodat ik de vrede van het geloof mag behouden."[1]

Hij ontsliep op 80-jarige leeftijd in vrede op 4 juni 1983 te Veenendaal. Hij overleed aan de gevolgen van kanker. Op zijn grafsteen staan Jezus' woorden "Mijn genade is u genoeg"[5]. Zijn echtgenote Wilhelmina Hendrika Kouwenhoven (1903-1985), dochter van een gereformeerde predikant[6], en hun in Arnhem aangenomen dochter Greet (Grietje Marrigje Overduin, 1940-1986)[7] waren "God dankbaar dat wij zo'n gelukkig waardevol leven met elkaar mochten hebben en dat hij met Gods hulp zo velen tot zegen is geweest"[8]. Zijn vrouw en dochter overleden beiden enkele jaren later.

Geschriften

  • Het onaantastbare: over de christelijke hoop (1941)
  • Hel en hemel van Dachau (1945)
  • Naar een nieuw Psalter! (met Jac. Kort en J. van Wier Dz.) (1949)
  • Suggestie en religie (met G. Brillenburg Wurth) (1950)
  • Wat hebben wij tegen Rome te zeggen? (1951)
  • Tact en contact: de moderne mens en het Evangelie (1958)
  • Venster op het leven: bijbels dagboek (1958)
  • Wonder boven wonder: bijbels dagboek (1960)
  • Gods grote verrassing: de zaligsprekingen (1961)
  • Zo waren ze ... pastorale herinneringen (1970)
  • Is God dood of zijn wij dood? (met J. J. Buskes en Jac. van Dijk) (1971)
  • Praten zonder antwoord? gedachten over het Onze Vader (1972)
  • De kunst van het ziek zijn (1973)
  • Worden als een man: over de geestelijke volwassenheid (3e druk, 1974)
  • Bevrijding: bijbels dagboek (1975)
  • Maranatha 1976 (redactie, met Jac. van Dijk) (1975). Bijbelse kalender.
  • Maranatha 1977 (redactie, met Jac. van Dijk) (1976). Bijbelse kalender.
  • Is geloven moeilijker dan vroeger? (1980)
  • Hier beneden is het... (1982)

Bronnen

Mats Beek, Jac. Overduin. Schrijversinfo.nl, geraadpleegd 12 juli 2019.

Jacobus Overduin, artikel op nl.wikipedia.org. Tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 12 juli 2019.

Huib de Vries, De dominee uit Dachau, in: Terdege, 13 mei 2009.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 1,4 Huib de Vries, De dominee uit Dachau, in: Terdege, 13 mei 2009.
  2. Aangehaald in: Mats Beek, Jac. Overduin. SchrijversInfo.nl.
  3. Bron: een interview door Klaas Runia, ter gelegenheid van Overduins tachtigste verjaardag.
  4. Bron: een interview in het Centraal weekblad, ter gelegenheid van Overduins tachtigste verjaardag. Aangehaald in: Huib de Vries, De dominee uit Dachau, in: Terdege, 13 mei 2009.
  5. https://www.online-begraafplaatsen.nl/zerken.asp?g=157756
  6. https://www.openarch.nl/elo:4df6ed71-de5a-fc51-ab82-f340593c44e8/nl
  7. https://www.graftombe.nl/names/info/786588/overduin
  8. Familiebericht in het dagblad Trouw, 6 juni 1983.