Jefta

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Jefta was een door godsdienstijver en moed bezielde richter in Israël; hij verloste de lsraëlieten uit de macht der Ammonieten. Na de overwinning offerde hij, om een eerder gedane eed, zijn dochter als brandoffer, Richt. 11. De Gileadiet Jefta richtte Israël zes jaren, Richt. 12:7.

De naam Jefta (Grieks Ιεφθαε; Lat. Iepthae; Hebr. Jiftach; Eng. Jephthah), ook gespeld Jeftha (in de Statenvertaling) betekent ‘hij opent’[1] of ‘hij zal openen’, van het werkwoord patoäch[2]. De persoonsnaam wordt 29 keer genoemd in het Oude Testament en 1 keer in het Nieuwe Testament (Hebr. 11:32).

Jefta was de zoon van Gilead, die hem had verwekt bij een hoer; hij was een 'hoerekind', Richt. 11:1. Jefta woonde in Mizpa in het land van Gilead. Zijn halfbroers, de zonen van de vrouw van Gilead, verstootten hem. Daarop ging Jefta wonen in het land Top, Richt. 11:3. Daar voegden zich leeghoofdige mannen bij hem, die met hem uittrokken, Richt. 11:3.

Toen de Ammonieten de oorlog aanbonden met Israël, werd Jefta te hulp geroepen. De oudsten van Gilead boden hem aan om legeroverste te zijn, ja, een hoofd over alle inwoners van Gilead. Jefta gaf gehoor aan hun oproep. Hij verloste Israël uit de macht der Ammonieten.

Jefta en de Ammonieten - Access Foundation.jpg
Zijn dochter komt Jefta tegemoet, als hij van de overwinning terugkeert.

Gelofte. Hij deed een gelofte, dat, indien hij een overwinning op de Ammonieten bevechten mocht, het eerste wat hem, bij zijn terugkomst, uit zijn huis tegemoet kwam, ten brandoffer gebracht zou worden. Tot zijn droefheid was het zijn dochter, zijn enige kind (Richt. 11:34), die hem het eerst tegemoet kwam, om haar vader met de behaalde overwinning geluk te wensen.

Diep getroffen maakte hij haar met zijn gelofte bekend, en zijn dochter was heldhaftig genoeg om zich, uit dankbaarheid dat God haar vader de overwinning geschonken had, vrijwillig aan deze gelofte te onderwerpen; zij verzocht slechts twee maanden tijd om met haar vriendinnen te bewenen, dat zij ongehuwd en dus kinderloos moest blijven. Zij kwam na die tijd terug en Jefta volbracht aan haar zijn gelofte. Hij gaf haar aan de HEER, en zij bleef God haar leven lang gewijd en trouwde geen man. Het werd een gewoonte dat de vrouwen van Israël vier dagen per jaar bij haar kwamen en met haar spraken. 

Ri 11:39 En het gebeurde na verloop van twee maanden dat zij naar haar vader terugkeerde. En hij voltrok aan haar zijn gelofte, die hij had gedaan. Zij heeft geen gemeenschap gehad met een man. En het werd een gewoonte in Israël Ri 11:40 [dat] de dochters van Israël van jaar tot jaar [op weg] gingen om met de dochter van Jefta, de Gileadiet, te praten, vier dagen per jaar. (HSV)

1Co 7:34 Er is ook onderscheid tussen de vrouw en de maagd. De ongetrouwde wijdt haar zorg aan de dingen van de Heer om heilig te zijn, zowel naar het lichaam als naar de geest; maar de getrouwde wijdt haar zorg aan de dingen van de wereld, hoe zij haar man zal behagen. (TELOS)

Jefta ervoer in zijn ziel wat het is een overwinning te moeten bekopen met het offer van een eigen kind. Hij offerde haar niet letterlijk als een vuuroffer op, maar bracht een figuurlijk brandoffer: hij wijdde haar geheel en al aan de God van Israël; een burgerlijk huwelijks- en gezinsleven zou zij niet kennen, maar alleen voor God leven.  

Zo heeft ook God de Vader voor ons de overwinning over zonde en dood verkregen door het offer van zijn Zoon. Zoals Jefta's dochter zich schikte en onderwierp aan de gelofte van haar vader, zo heeft de Zoon zich verenigt met de raad van de Vader tot heil van ons. De Heer Jezus is nooit getrouwd geweest, Hij leefde geheel voor God. Alleen moest de Zoon van God verder gaan dan de dochter van Jefta: Hij daalde af in hoon en smaad, in geseling, dood en graf. Hij gaf zich over tot een bloedig offer voor onze zonden, een brandoffer voor God.  

Dood. Jefta richtte Israël zes jaren. Na zijn overlijden werd hij begraven in de steden van Gilead, Richt. 12:7  

Voorbeeld van geloof. In het Nieuwe Testament wordt Jefta één keer genoemd; in de brief aan Hebreeën wordt hij gerekend tot de voorbeelden van het geloof.

Heb 11:32  En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken als ik vertel van Gideon, Barak, Simson, Jefta, David, Samuel en de profeten, Heb 11:33 die door middel van het geloof koninkrijken onderwierpen, gerechtigheid oefenden, de beloften ontvingen, leeuwemuilen toestopten, (TELOS)

Bron

S.J. van Ronkel, Woordenboek der eigennamen, naar hunne eerste spelling en oorspronkelijke uitspraak met eene korte beschrijving de personen, landen en plaatsen, in het Oude Testament voorkomende, en voor het grootste gedeelte ook etymologisch behandeld. (Groningen: M. Smit, 1835) s.v. Jephtha. Hieruit is op 3 okt. 2013 tekst genomen en verwerkt. Van Ronkel was destijds hoofdonderwijzer aan een Joodse school en beëdigd vertaler.

Voetnoten

  1. Aldus Hebreeuws-Nederlands Lexicon, onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia.
  2. Aldus S.J. van Ronkel, aangehaalde plaats.