Jerobeam I

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Jerobeam I was in het land Israël de eerste koning van het rijk der tien stammen. Zijn regering duurde 22 jaren (1 Kon. 14:20), van het jaar 931 tot 910[1] vóór Chr.,

Hij was de zoon van Nebat, uit de stam Efraïm.

Jakob
 
Rachel
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jozef
 
Asnath
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Efraïm
 
 
 
 
 
 
...
 
 
 
 
 
 
Nebat
 
 
 
 
 
 
 
Jerobeam I
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Abia
 
Nadab
 

Salomo had hem onder de Israëlieten, die aan de versterking van Jeruzalem moesten arbeiden, als een ijverig en kundig mens spoedig opgemerkt en tot opzichter van het werk verheven. Deze kroondiensten, welke naar het schijnt niet door Juda behoefden bewezen te worden, hinderden vooral de Efraïmieten bovenmate. Daardoor toch waren zij genoodzaakt tot de vermeerdering der macht van vorsten uit de stam Juda mee te werken en zich tot slavenarbeid te lenen. Deze wrok werd ook en in het bijzonder door Jerobeam gevoed, die niets liever wenste, dan het huis van David van de troon vervallen te verklaren en hem zelf te beklimmen. Zijn heimelijke wensen rijpten niet weinig tot een bepaald voornemen door de zinnebeeldige voorspelling van de profeet Ahia.

In Egypte. Zijn eerste poging, door hem kennelijk met een oproerig doel ondernomen, mislukte geheel, zodat hij om het leven te redden vluchten moest. Hij begaf zich naar het toevluchtsoord van alle ballingen uit Juda, naar Egypte, welks koning Sisak hem vriendelijk ontving en volgens de overlevering zelfs zijn schoonzuster Ano ten huwelijk gaf. Hier hield hij zich tot na de dood van Salomo op, maar toen keerde hij terug en zag kort daarna zijn eerzuchtige wensen vervuld.

Jerobeams afgoderij

Tot koning van het rijk der tien stammen gekozen, vestigde hij zich te Sichem en versterkte deze stad. Maar weldra vertrok hij naar Pnuël, een sterkte waarschijnlijk aan de mond van de Jabbok in de stam Gad gelegen, tenslotte naar Thirza, een stad in westelijk Manasse. Deze veelvuldige verwisseling van woonplaats geschiedde vermoedelijk met een staatkundig doel. Evenzeer bewoog de staatkunde hem te Dan en te Bethel de gouden kalveren op te richten.

Beeldendienst. Daar hij vreesde, dat zijn onderdanen, indien zij voortdurend naar Jeruzalem trokken om daar op de hoge feesten Jahweh te aanbidden, zich eindelijk weer bij het rijk der twee stammen zouden voegen, stelde hij in Israël de beeldendienst in, en wel om des te beter het beoogde doel te bereiken, in het zuiden en het noorden van het land. Niet dat Jerobeam de dienst van Jahweh wilde afschaffen, daar de beelden, in de nieuwe door hem gebouwde tempels geplaatst, de God van Israël moesten voorstellen, evenwel zondigde hij zwaar tegen de goddelijke geboden, waarmede hij ontegenzeggelijk in openbare strijd handelde.

Geheel willekeurig verklaarde hij voorts alle Israëlieten, uit welken stam ook afkomstig, tot het bekleden van de priesterlijke waardigheid bevoegd en verplaatste de viering van het Loofhuttenfeest van de zevende naar de achtste maand. De ware priesters, de Levieten en alle oprechte vereerders van Jahweh verlieten daarop zijn rijk, en gingen naar Juda. Maar Jerobeam hield vol, te goed overtuigd dat de grote menigte aan zijn zijde was en hem krachtdadig wilde ondersteunen. Te Bethel had daarop de plechtige inwijding van de nieuwe godsverering plaats, terwijl de koning niet aarzelde zelf de priesterlijke bediening waar te nemen. De waarschuwing, welke daar van Godswege door de profeet uit Juda tot hem kwam, maakte evenmin als het wonder, dat toen aan hem geschiedde, enigen indruk op zijn verhard gemoed.

1Kon 13:33 Jerobeam keerde na deze gebeurtenis niet terug van zijn kwade weg, maar stelde opnieuw uit alle geledingen van het volk priesters aan voor de offerhoogten. Wie maar wilde, wijdde hij en die werd dan een van de priesters van de hoogten. 1Kon 13:34 En het werd door deze zaak tot zonde voor het huis van Jerobeam, waardoor het uitgeroeid en van de aardbodem weggevaagd zou worden. (HSV)

Ook de dood van zijn godvruchtige zoon Abia en de aankondiging van Ahia mochten niet baten. Vast besloten ging de vorst op zijn weg voort en oogstte dan ook zowel voor zich als later voor zijn geslacht de bittere vruchten van zijn afval en zijn trouweloosheid in. Ofschoon Semaja de oorlog tussen de broederrijken aan Rehabeam verboden had, hadden evenwel tussen hem en Jerobeam voortdurend vijandelijkheden plaats, maar eerst onder Abia brak de oorlog met kracht uit. De uitslag was noodlottig voor Jerobeam. Zijn leger werd verslagen en Bethel, Jesana en Efron met hun onderhorige plaatsen werden hem ontnomen. Ook later was hij in elke strijd de overwonnene. Verder wordt ons niets meer van hem bericht, dan dat God hem sloeg, zodat hij stierf.

2Kr 13:20 En Jerobeam behield geen kracht meer in de dagen van Abia; maar de HEERE sloeg hem, dat hij stierf. (SV)

Wel wordt hij door enige goede eigenschappen gekenmerkt en is het bepaald niet te ontkennen, dat hij met vaste hand de teugels van het bewind heeft gevoerd, maar groot zijn ook zijn gebreken geweest. Zijn zonde werd de erfzonde van alle zijn opvolgers, en het verderf van Israël is in de eerste plaats aan hem toe te schrijven. Het goddelijk strafgericht over zijn huis werd door Baësa voltrokken.

1000 - 900 v.C. < Israël 950 - 850 v.C.[2] > 900 - 800 v.C.
Joram (koning van Israël)Ahazia (koning van Israël)BenhadadJosafatAchabOmriZimriElaBenhadadBaësaNadabAsaAbiaJerobeam ISisakRehabeamSisakSalomo

Bron

P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling. Haarlem: De erven F. Bohn, 1866. Tekst van het lemma 'Jerobeam' is op 3 juli 2017 verwerkt.

Voetnoot

  1. Volgens een tijdbalk van Stichting De Oude Wereld ( opgegaan in het Logos Instituut). De opgaven verschillen. P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling (Haarlem: De erven F. Bohn, 1866) dateert van het jaar 975 tot 954 vóór Chr. William F. Albright heeft de regeerperiode gedateerd van 922 tot 901 v. Chr.
  2. De jaartallen zijn meerendeels ontleend aan Bijbels ontstaansmodel; tijdbalk Masoreten (Stichting De Oude Wereld, 2009).