Jesaja (boek)/Hoofdstuk 3

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Hoofdstuk 3 van het Bijbelboek Jesaja (boek) wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Jes. 3:1

Jes 3:1  Want ziet, de Heere, HEERE der heirscharen, zal van Jeruzalem en van Juda wegnemen den stok en den staf, allen stok des broods, en allen stok des waters; (SV)

Jeruzalem en Juda. Zie vers 8.

Wegnemen. Vergelijk vers 8: Jeruzalem is gestruikeld, Juda is gevallen.

Stok en staf. Steun en stut (NBG51-vertaling), d.w.z. steunsels, zaken waarop de mensen steunen, waarop zij vertrouwen, dingen die hen staande houden, zoals de held, de soldaat, de rechter, de profeet, de waarzegger en de (wijze) oude enz., zie de volgende verzen.

Stok des broods ... stok des waters. Steunsels bestaande uit de levensmiddelen brood en water. Als deze steunsels wegvallen, volgt hongersnood.

Jes. 3:4

Jes 3:4  En Ik zal jongelingen stellen tot hun vorsten, en kinderen zullen over hen heersen; (SV)

Ik zal jongelingen stellen tot hun vorsten. Jonge mensen, knapen, die levenswijsheid en ervaring ontberen, zullen regeren. Ook dat is een deel van het oordeel, waartoe God Zich opmaakt.

Vergelijk:

Jes 3:12  De drijvers Mijns volks zijn kinderen, en vrouwen heersen over hetzelve. O Mijn volk! die u leiden, verleiden u, en den weg uwer paden slokken zij in. (SV)

Jes. 3:6

Jes 3:6  Wanneer iemand zijn broeder uit het huis zijns vaders zal aangrijpen, zeggende: Gij hebt een kleed, wees ons ten overste, laat toch dezen aanstoot onder uw hand wezen;  (SV)

Gij hebt een kleed. Gij hebt ten minste nog een kleed, al was het slechts een mantel, om u nog in zekere betamelijke vorm als regent te kunnen vertonen[1].

Deze aanstoot. Deze last, namelijk de zware last om in zulke bange tijden u te stellen aan het hoofd der zaken[1].

Jes. 3:8

Jes 3:8  Want Jeruzalem heeft aangestoten, en Juda is gevallen, dewijl hun tong en zijn handelingen tegen den HEERE zijn, om de ogen Zijner heerlijkheid te verbitteren. (SV)

Heeft aangestoten. Is gestruikeld.

Hun tong en handelingen. Hun woorden en daden,

Om de ogen Zijner heerlijkheid te verbitteren. De alziende heilige ogen van Hem, de Rechter der aarde. De ontzedelijking van het volk in woord en daad tergt in de hoogste graad het rein en heilig aangezicht van de hemelse Koning. In de ogen van Gods heerlijkheid weerspiegelt niet alleen de barmhartigheid voor al degenen, die Hem liefhebben, maar ook de toorn jegens allen, die Hem verachten en zich van Hem afwenden. En nu zo diep is Israël gezonken, dat het niet alleen om die ogen der heerlijkheid zich niet meer bekommert, maar met opzet ze trotseert.[1]

Jes. 3:10

Jes 3:10  Zegt den rechtvaardige, dat het hem wel gaan zal; dat zij de vrucht hunner werken zullen eten. (SV)

In zware tijden moeten de rechtvaardigen volharden in goeddoen, want het zal hun uiteindelijk goed gaan.

Jes. 3:12

Jes 3:12  De drijvers Mijns volks zijn kinderen, en vrouwen heersen over hetzelve. O Mijn volk! die u leiden, verleiden u, en den weg uwer paden slokken zij in. (SV)

De drijvers Mijns volks zijn kinderen.

Vergelijk:

Jes 3:4  En Ik zal jongelingen stellen tot hun vorsten, en kinderen zullen over hen heersen; (SV)

Jes. 3:18

Jes 3:18  Ten zelfden dage zal de HEERE wegnemen het sieraad der kousebanden, en de netjes, en de maantjes, (SV)

In de verzen 18 - 23 worden 21 kledingstukken en sieren genoemd. Van de namen zijn vele van onzekere betekenis. Schoeisel schijnt niet te worden genoemd (hoewel Luther vertaalt 'kostbare schoenen'), ofschoon in vers 16 de trippelende en met de enkelringen rinkelende gang van de vrouwen wordt genoemd. Zakdoeken kende men niet.[2]

Kousebanden. Anderen vertalen: enkelringen (HSV, NBV2004), voetringen (NBG51, Canis, WV78, WV95, NaB). De Kanttekenaar merkt op: "Voor sieraad der kousenbanden hebben anderen de netwerken of betraliede klederen; die doorschijnend gebreid of geborduurd waren, hetwelk enigen noemen vensteren der oneerbaarheid."

Netjes. Anderen vertalen: voorhoofdbanden (NBG51, HSV, NaB), voorhoofdsiersels (Lei), zonnetjes (NBV2004; Darby: "little suns"). De Kanttekenaar denkt ook aan sluiers, fijngebreide netjes, dunne doekjes en allerlei gebreidsel, of geweefsel dat doorluchtig is.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 1,2 Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901). Enige tekst hieruit is onder wijziging verwerkt.
  2. Aantekening bij de Leidse vertaling