Jezus Christus/Kleding

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Over de kleding van Jezus Christus zegt de Schrift weinig.

Nadat Hij geboren was, wikkelde zijn moeder Maria Hem in doeken[1] en legde Hem in een kribbe.

Lu 2:7 en zij baarde haar eerstgeboren Zoon en wikkelde Hem in doeken en legde Hem neer in een kribbe, omdat er voor hen geen plaats was in de herberg. (TELOS)

De engelen wezen de herders daarop:

Lu 2:12 En dit zal voor u het teken zijn: u zult een kindje vinden in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe. (TELOS)

Het wikkelen in doeken gebeurde met elk nieuwgeboren kind[2], en is het eerste dat verricht wordt, nadat de navel afgesneden en het kindje gewassen is. Vergelijk:

Eze 16:4 Wat uw geboorte betreft, op de dag dat u geboren werd, werd uw navelstreng niet afgesneden, werd u niet met water schoongewassen, werd u ook al niet met zout ingewreven, en al helemaal niet in doeken gewikkeld. (HSV)

Maria wikkelde Jezus stevig in met lange, smalle stukken (stroken) stof[3]. (Nadat Hij gestorven was, werd zijn lichaam in linnen doeken gebonden. Echter, het Griekse woord voor 'doeken' in de grondtekst is dan een ander woord') De Heer droeg, gelijk Johannes de Doper, geen zachte, prachtige kleren. Immers, van Johannes zei Hij:

Mt 11:8 Maar wat bent u gaan zien? Een mens in zachte kleren gekleed? Zie, zij die de zachte kleren dragen, zijn in de huizen van de koningen. (TELOS)

Lu 7:25 Maar wat bent u gaan zien? Een mens in zachte kleren gekleed? Zie, zij die prachtig gekleed gaan en in weelde leven, zijn in de paleizen. (TELOS)

Waarschijnlijk droeg hij evenmin deftige, lange kleren als de schriftgeleerden. Immers, van hen zei Hij (Luc. 20:46; Marc. 12:38):

Lu 20:46 Past u op voor de schriftgeleerden, die gesteld zijn op het wandelen in lange kleren en houden van de begroetingen op de markten en de eerste zetels in de synagogen en de eerste plaatsen bij de maaltijden; (TELOS)

Een chronisch bloedvloeiende vrouw raakte zijn kleren aan om van haar kwaal genezen te worden.

Mr 5:28 want zij zei: Als ik maar zijn kleren aanraak, zal ik behouden worden. (...) Mr 5:30 En terstond onderkende Jezus in Zichzelf de kracht die van Hem was uitgegaan, keerde Zich om in de menigte en zei: Wie heeft mijn kleren aangeraakt? (TELOS)

Zijn kleren "werden wit als het licht" op de berg waar Mozes en Elia met Hem spraken.

Mt 17:2 En Hij werd in hun bijzijn van gedaante veranderd; en zijn gezicht straalde als de zon en zijn kleren werden wit als het licht. (TELOS)

Mr 9:3 en zijn kleren werden blinkend, hel wit, zoals geen volder op aarde wit kan maken. (TELOS)

In de laatste avond van zijn leven op aarde legde Hij zijn bovenklederen af om de voeten van zijn leerlingen te wassen.

Joh 13:4 en legde zijn kleren af; en Hij nam een linnen doek en omgordde Zich. (...) Joh 13:12 Toen Hij dan hun voeten gewassen en zijn kleren genomen had en weer aanlag, zei Hij tot hen: Begrijpt u wat Ik u heb gedaan? (TELOS)

De Romeinse soldaten dreven de spot met Jezus, onder andere door hem een 'koninklijke' purperen mantel om te doen. Na hun spotternij deden zij Hem de mantel af en deden Hem zijn kleren aan.

Mr 15:20 En toen zij Hem hadden bespot, deden zij Hem de purperen mantel af en deden Hem zijn kleren aan; en zij leidden Hem naar buiten om Hem te kruisigen. (TELOS)

Mt 27:31 En toen zij Hem hadden bespot, deden zij Hem de mantel af en deden Hem zijn kleren aan; en zij leidden Hem weg om Hem te kruisigen. (TELOS)

Nadat zij Hem nu hadden gekruisigd, verdeelden zij zijn kleren onder elkaar.

Mt 27:35 Nadat zij Hem nu hadden gekruisigd, verdeelden zij zijn kleren door het lot te werpen. (TELOS)

Mr 15:24 En zij kruisigden Hem en verdeelden zijn kleren door het lot erover te werpen wat ieder mocht nemen. (TELOS)

Lu 23:34 Jezus nu zei: Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen. En om zijn kleren te verdelen wierpen zij het lot daarover. (TELOS)

De meeste bijzonderheden over deze verdeling van Jezus' kleren geeft Johannes:

Joh 19:23 Toen dan de soldaten Jezus hadden gekruisigd, namen zij zijn kleren en maakten er vier delen van, voor elke soldaat een deel, en het onderkleed. Het onderkleed nu was zonder naad, van boven af in zijn geheel geweven. Joh 19:24 Zij dan zeiden tot elkaar: Laten wij die niet scheuren, maar erom loten van wie die zal zijn; opdat de Schrift vervuld werd die zegt: ‘Zij hebben mijn kleren onder elkaar verdeeld en over mijn kleding hebben zij het lot geworpen’. De soldaten dan hebben dit gedaan;

De handeling doet denken aan de paasoffers waarvan de huiden werden afgetrokken.

2Kr 35:11 Daarna slachtte men het pascha, en de priesters sprengden [het] [bloed] uit hun handen, en de Levieten trokken de huiden af. (SV)

Nadat Hij gestorven was, werd zijn lichaam in linnen doeken gebonden.

Joh 19:40 Zij namen dan het lichaam van Jezus en bonden het in linnen doeken met de specerijen, zoals de Joden de gewoonte van begraven hebben. (TELOS)

Bij zijn opstanding werden de doeken afgelegd en bleven zij echter in de graftombe.

Joh 20:5 En hij bukte zich voorover en zag de doeken liggen; hij ging er echter niet in. Joh 20:6 Simon Petrus nu kwam ook achter hem aan en hij ging het graf binnen en zag de doeken liggen Joh 20:7 en de zweetdoek die op zijn hoofd was geweest, niet bij de doeken liggen, maar op een plaats afzonderlijk samengerold. (TELOS)

Na zijn opstanding, hemelvaart en verhoging verscheen onze Heer eens aan Johannes, die als balling op het eiland Patmos was. Johannes beschrijft wat hij ziet:

Opb 1:13 en in het midden van de kandelaars iemand, de Zoon des mensen gelijk, bekleed met een gewaad tot de voeten en aan de borst omgord met een gouden gordel, (TELOS)

Johannes schouwt ook de wederkomst van Christus in deze wereld. Diens kleed is in bloed gedoopt. Op het kleed staat een naam.

Opb 19:11 En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij die daarop zit, heet Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid. (...) Opb 19:13 En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, ... Opb 19:14 En de legers die in de hemel zijn, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen. Opb 19:15 En uit zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. ... en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige. Opb 19:16 En Hij heeft op zijn kleed en op zijn heup een geschreven naam: Koning van de koningen en Heer van de heren. (TELOS)

Vergelijk wat er met het gewaad van Jozef was gebeurd:

Ge 37:31 Toen slachtten ze een bokje, pakten Jozefs veelkleurige gewaad en dompelden dat in het bloed. Ge 37:32 Daarna lieten ze het naar hun vader brengen met de boodschap: ‘Dit hebben we gevonden. Kijk eens goed, is dit niet het kleed van uw zoon?’ Ge 37:33 Jakob herkende het en riep uit: ‘Het kleed van mijn zoon! Hij moet verslonden zijn door een roofdier! Hij is verscheurd, Jozef is verscheurd!’ Ge 37:34 Jakob scheurde zijn kleren, deed een rouwkleed om en rouwde over zijn zoon, dagenlang. (NBV)

Voetnoot


  1. 'Windselen' aldus de Kanttekenaar van de Statenvertaling. De Griekse grondtekst gebruikt het werkwoord σπαργανοω, sparga’no-oo, van sparganon (strook), met de betekenis 'met stroken omwinden', vandaar de vertaling 'in doeken wikkelen'. Zie Grieks-Nederlands Lexicon, onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia.
  2. Dr. ir. J. de Graaf e.a. (red.), Tekst voor Tekst; de Heilige Schrift kort verklaard en toegelicht (Boekencentrum, 1987), commentaar bij Luc. 2:7.
  3. Vergelijk: Eenvoudig commentaar Evangelie en Handelingen (2013), bij Luk. 2:7. Onderdeel van de Online Bible.