Joas (koning van Juda)

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Joas was de achtste koning van het tweestammenrijk Juda. Hij regeerde in de 9e en 8e eeuw vóór Christus. Wij lezen over hem in 2 Kon. 11v.

Over de betekenis van zijn naam en andere naamgenomen, zie artikel Joas

Hij was de zoon en opvolger van koning Ahazia van Juda. Zijn moeder heette Zibja van Berséba (2 Kon. 12:1; 2 Kron. 24:1).

Omri
koning van Israël
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Asa
koning van Juda
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Achab
koning van Israël
 
Izebel
 
 
 
 
 
Josafat
koning van Juda
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Ahazia
koning van Israël
 
Joram
koning van Israël
 
Athalia
 
Joram
koning van Juda
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Joseba
 
Ahazia
koning van Juda
 
Zibja
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Joas
koning van Juda

Hij regeerde gedurende 40 jaar over het koninkrijk Juda van 835-795 v.C.[1]

950 - 850 v.C. < Israël 850 - 750 v.C.[2] > 800 - 700 v.C.
ZachariaJerobeam IIUzziaAmaziaBenhadadJoas (koning van Israël)JoahazJoas (koning van Juda)AthaliaAhazia (koning van Juda)JehuHazaëlJoram (koning van Juda)Joram (koning van Israël)Josafat

Hij zou op éénjarige leeftijd op bevel van zijn grootmoeder Athalia, die zich de heerschappij had aangematigd, met al zijn broers omgebracht zijn, als hij niet tijdig door zijn tante Joseba, de zus van Ahazia en de echtgenote van de hogepriester Jojada, aan het gevaar onttrokken was. Hij werd zes jaren verborgen in het huis van God te Jeruzalem (2 Kron. 22:12).

De vrome Jojada voedde het kind, dat voor de troon bestemd was, godvruchtig op, en wachtte de geschikte tijd af, om aan de dwingelandij van koningin Athalia een eind te maken.

Joas door Jojada tot koning gekroond.jpg

Na verloop van de zes jaren had hij alles in stilte voorbereid, om zijn pleegkind op de troon van zijn vaders te plaatsen. Hij liet de jonge Joas, die zeven jaar oud was (2 Kon. 11:21; 2 Kron. 24:1), onder zijn voogdijschap tot koning van Juda uitroepen. Vervolgens werd de wrede Athalia op zijn bevel gedood. Joas werd koning in het zevende jaar van Jehu koning van Israël (2 Kon. 12:1.). Joas deed wat recht, juist was in de ogen van God.

2Kr 24:2 Joas deed wat juist was in de ogen van de HEERE, al de dagen van de priester Jojada. 2Kr 24:3 Jojada nam twee vrouwen voor hem, en hij verwekte zonen en dochters. (HSV)

Tenminste 23 jaren stond Jojada de jonge vorst ter zijde en was de eigenlijke oorzaak van al het goede, dat in die tijd tot stand kwam. Inzonderheid wendden vorst en hogepriester al hun zorg aan tot herstel van de tempel (2 Kron. 24:4v), die onder de laatste regeringen in diep verval gekomen was. Daar de Levieten deze pogingen echter niet ondersteunden, werd op koninklijke last een welgesloten kist met opening in het deksel naast het altaar geplaatst, opdat ieder daarin zijn bijdrage storten zou, terwijl Joas zelf zich met de uitvoering van het werk belastte. Zijn doortastende en krachtige maatregelen hadden het gewenst gevolg. Wederom verrees de tempel heerlijk en prachtig, als het waardige huis van God.

Wel bleef de offerdienst nog altijd op de hoogten plaats hebben, maar afgoderij en baälsdienst werden niet geduld. Ondanks deze gunstige verschijnselen schijnt nog veel aan de godsdienstige en zedelijke zin van het volk ontbroken te hebben. Uit de godspraken van Joël, die waarschijnlijk in deze tijd geprofeteerd heeft, zien wij dat de velden door talloze sprinkhanen werden afgegeten, en dat droogte benevens hongersnood de mensen kwelde. Wel maakt hij geen gewag van afgoderij en verwaarlozing van de tempeldienst, of van de staking van de offers - anders dan om wettige en geldige redenen - en van de vasten en gebeden, evenwel dringt hij bij het volk aan om hun leven naar de wet een leven voor God te doen worden, en kondigt de tijd aan, dat Gods Geest op alle vlees zou worden uitgestort.

Maar al was dan ook veel te berispen, wenselijk voor Juda ware het geweest, dat Joas, ook na het afsterven van zijn trouwe leidsman en vriend, aan wie hij zo oneindig veel verplicht was, op het ingeslagen spoor standvastig voortgegaan was. Toen echter Jojada was gestorven, maakten de vorsten van Juda zich van de weinig zelfstandige koning Joas meester, deden de verering van de afgoden herleven, weerstonden de mannen Gods, die tot boete en berouw opriepen, en verleidden Joas zelfs zich schuldig, althans medeplichtig te maken aan de steniging van de getrouwen hogepriester Zacharia, den zoon van Jojada (2 Kron. 24:17v). Hij vergoot ook het bloed van een of meer andere zonen van Jojada (2 Kron. 24:25)[3].

De straf voor al deze gruwelen, waarmee de eertijds zo vrome Joas zich bevlekte, bleef niet achterwege. De Syriërs onder Hazaël drongen tot Jeruzalem door, versloegen hem, deden velen van de zijnen sneuvelen. Toen Joas hem een aanzienlijke schat van geheiligde dingen en goud uit zijn eigen huis betaald had, trok Hazaël af van Jeruzalem (2 Kon. 12:17-18). Zo voorkwam Joas de plundering van zijn hoofdstad en wellicht ook de ondergang van zijn rijk. Hij werd echter ernstig ziek achtergelaten (2 Kron. 24:25).

Niet weinig werkte deze grote vernedering van de in vorige jaren geëerbiedigde en beminde vorst, aan wie zich toen de grootste verwachtingen hadden vastgeknoopt, mede om hem de liefde van zijn onderdanen te ontnemen. Na het vertrek van de Syriërs spanden zijn dienaren tegen hem samen.

2Kr 24:25 ... spanden zijn dienaren, vanwege het bloed van de zonen van de priester Jojada, tegen hem samen, en zij doodden hem op zijn bed, en hij stierf. Zij begroeven hem in de stad van David, maar zij begroeven hem niet in de graven van de koningen. (HSV)

Zelfs toen hij door twee van zijn hovelingen, Jozachar en Jozabad, gedood was (2 Kon. 12:21), weigerde men hem de bijzetting in de koninklijke grafkelder. Wel werd hij evenals zijn vaders begraven in de stad van David, 2 Kon. 12:21, 2 Kron. 24:25.

Zo treurig was het einde van de man, die gedurende 40 jaren, Davids rijk had bestuurd, en wiens latere regering zozeer in strijd was geweest met de hoop, die zijn eerste optreden gewekt had. Behalve in de strijd tegen Israël, welk rijk hij enkele steden ontnam, was hij in de oorlog niet gelukkig geweest. Wel levert de rampzalige vorst bewijs voor de waarheid, dat wie God verlaat, ook Gods zegen prijsgeeft.

Joas werd opgevolgd door zijn zoon Amazia (2 Kon. 12:21).

Koningshuis van David
David
 
Bathseba
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Salomo
 
Naäma
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Rehabeam
 
Maächa
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Abia(m)
 
Maächa
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Asa
 
Azuba
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Josafat
 
?
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Joram
 
Athalia
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Ahazia
 
Zibja
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Joas
 
Joaddan
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Amazia
 
Jecholia
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Uzzia
 
Jerusa
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jotham
 
?
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Achaz
 
Abia
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Hizkia
 
Hefziba
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Manasse
 
Mesullemet
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Amon
 
Jedida
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Josia
 
Hamutal
 
Zebudda
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Joahaz
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jojakim
 
Nehusta
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jojachin
 
 
 
 
 
Zedekia

Voetnoten

  1. Volgens Bijbels ontstaansmodel; tijdbalk Masoreten (Stichting De Oude Wereld, 2009). P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling (Haarlem: De erven F. Bohn, 1866) heeft 878 tot 839 vóór Chr.
  2. De jaartallen zijn meerendeels ontleend aan Bijbels ontstaansmodel; tijdbalk Masoreten (Stichting De Oude Wereld, 2009).
  3. Sommigen vatten 'zonen' als een retorische meervoud op, zo Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op 1 Cor. 2 Kron. 24:25. "Zonen is hier een zogenaamd retorisch meervoud, om in het oog te doen vallen, dat Joas zich aan Jojada en zijn kinderen had vergrepen en daarmee een zware bloedschuld op zich had geladen."