Job (boek)/Hoofdstuk 1

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Hoofdstuk 1 van het Bijbelboek Job (boek) wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Job 1:1

Job 1:1  Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelve man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad.(SV)

Uz. Het land Uz was een land in of bij Edom.

Oprecht enz. Vergelijk:

Job 1:8  En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad. (SV)

Job 1:5

Job 1:5  Het geschiedde dan, als de dagen der maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde en des morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zeide: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Alzo deed Job al die dagen. (SV)

Brandofferen offerde naar hun aller getal. Ter verzoening. Offerde Job van zijn dieren, Jezus offerde zichzelf als een zoenoffer voor onze zonden. God de Vader zond zijn zoon als zoenoffer voor onze zonden.

1Jo 2:2  en Hij is het zoenoffer voor onze zonden; en niet voor onze zonden alleen, maar ook voor de hele wereld. (Telos)

1Jo 4:10  Hierin is de liefde, niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat Hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon heeft gezonden als zoenoffer voor onze zonden. (Telos)

Job 1:8

Job 1:8  En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad. (SV)

Oprecht en vroom enz.

Job 1:1  Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelve man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad.(SV)

Job. 1:11

Job 1:11  Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen? (SV)

Zegenen. Hebreeuwse werkwoord barak = zegenen, loven. Dit wordt ook gebruikt in het vorige vers, 'het werk van zijn handen hebt U gezegend', daar in een gunstige zin.

De satan bedoelt het tegendeel van zegenen: vloeken. In deze ongunstige betekenis wordt het ook gebezigd in:

Job 1:5  Het geschiedde dan, als de dagen der maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde en des morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zeide: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Alzo deed Job al die dagen.

Job 2:5  Doch strek nu Uw hand uit, en tast zijn gebeente en zijn vlees aan; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen! (SV)

Job 2:9  Toen zeide zijn huisvrouw tot hem: Houdt gij nog vast aan uw oprechtigheid? Zegen God, en sterf. (SV)

Ook andere vertalingen als 'vaarwel zeggen' bedoelen het tegendeel.

Job 1:11  Maar steek toch Uw hand uit en tref alles wat hij heeft. Voorwaar, hij zal U in Uw aangezicht vaarwel zeggen. (HSV)

Job blijft God echter zegenen in de gunstige zin van het woord, hij blijft Hem loven.

Job 1:21  En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd. (SV)

Achter 'geloofd' zit het Hebreeuwse werkwoord barak.

Job 1:14-15

Job 1:14  Dat een bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden. Job 1:15  Doch de Sabeers deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. (SV) 

Runderen. Job bezat 'vijfhonderd juk ossen' (1:3).

De jongeren. De dienstknechten. 'Zijn dienstvolk was zeer veel' (1:3).

Job 1:16

Job 1:16  Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Het vuur Gods viel uit den hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. (SV)

De schapen. Job bezat 7000 schapen (1:3)

De jongeren. De dienstknechten. 'Zijn dienstvolk was zeer veel' (1:3).

Job. 1:17

Job 1:17  Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: De Chaldeën stelden drie hopen, en vielen op de kemelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. 

De kemelen. De kamelen, waarvan Job er 3000 bezat (1:3).

De jongeren. De dienstknechten. 'Zijn dienstvolk was zeer veel' (1:3).

Job. 1:18-19

Job 1:18  Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Uw zonen en uw dochteren aten, en dronken wijn, in het huis van hun broeder, den eerstgeborene;  Job 1:19  En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. (SV)

Uw zonen en uw dochteren. Job had 7 zonen en 3 dochters (1:2).