Job (boek)/Hoofdstuk 11

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Oude Testament: Ge Ex Le De Jo Ri Ru 1Sa 2Sa 1Ko 2Ko 1Kr 2Kr Ezr Ne Es Job Ps Sp Pr Hgl Jes Jer Kla Eze Da Hos Joë Am Ob Jon Mi Na Hab Zef Hag Za Mal
Nieuwe Testament: Mat Mar Luk Joh Hand Rom 1Kor 2Kor Gal Ef Flp Col 1Th 2Th 1Tim 2Tim Tit Flm Heb Jak 1Petr 2Petr 1Joh 2Joh 3Joh Jud Opb

Job (boek):


Hoofdstuk 11 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Job 11:18-19

Job 11:18  En gij zult vertrouwen, omdat er verwachting zal zijn; en gij zult graven, gerustelijk zult gij slapen;  Job 11:19  En gij zult nederliggen, en niemand zal u verschrikken; en velen zullen uw aangezicht smeken. (SV)

Dat geruste vertrouwen en slapen vonden de leerlingen van Jezus, toen zij hem uit benauwdheid wakker maakten:

Mt 8:24  En zie, er ontstond een grote onstuimigheid op de zee, zodat het schip door de golven werd bedekt; Hij echter sliep. Mt 8:25  En zijn discipelen gingen naar Hem toe, wekten Hem en zeiden: Heer, behoud ons, wij vergaan!  Mt 8:26  En Hij zei tot hen: Waarom bent u angstig, kleingelovigen? Toen stond Hij op en bestrafte de winden en de zee, en er ontstond een grote stilte. (Telos)