Job (boek)/Hoofdstuk 19

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Hoofdstuk 19 van het Bijbelboek Job (boek) wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Job 19:13

Job 19:13  Mijn broeders heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd. (SV)

Mijn broeders heeft Hij verre van mij gedaan. Vergelijk aangaande Jezus:

Lu 23:49  Al zijn bekenden nu stonden op een afstand, ook de vrouwen die Hem waren gevolgd van Galilea, en zagen dit aan. (Telos)

Ps 38:11  (38-12) Mijn liefhebbers en mijn vrienden staan van tegenover mijn plage, en mijn nabestaanden staan van verre. (SV)

Ps 88:18  (88-19) Gij hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan; mijn bekenden zijn in duisternis. (SV)

Job 19:23

Job 19:23  Och, of nu mijn woorden toch opgeschreven wierden. Och, of zij in een boek ook wierden ingetekend! (SV)

Die wens is vervuld.

Job 19:24

Job 19:24  Dat zij met een ijzeren griffie en lood voor eeuwig in een rots gehouwen wierden! (SV)

Die wens is niet vervuld. Maar klacht is wel opgetekend in het Woord van God, dat eeuwig blijft.

Ps 119:89  Lamed. O HEERE! Uw woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen. (SV)

Jes 40:8  Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid. (SV)

1Pe 1:23  u die wedergeboren bent, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door Gods levend en blijvend woord. 1Pe 1:24  Want: ‘Alle vlees is als gras en al zijn heerlijkheid als een bloem van het gras. Het gras verdort en de bloem valt af,  1Pe 1:25  maar het woord van de Heer blijft tot in eeuwigheid’. Dit nu is het woord dat u verkondigd is. (Telos)