Job (boek)/Hoofdstuk 2

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Hoofdstuk 2 van het Bijbelboek Job (boek) wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Job 2:4

Job 2:4  Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven. (SV)

Huid voor huid. Het leven is de mens het dierbaarst, ja hij zal zelfs een gedeelte van zijn lichaam nog prijsgeven, om zijn leven te redden[1].

Zegen God. Ironische bedoeld: zeg God vaarwel.

Job 2:9

Job 2:9  Toen zeide zijn huisvrouw tot hem: Houdt gij nog vast aan uw oprechtigheid? Zegen God, en sterf. (SV)

Houdt gij nog vast aan uw oprechtheid. Dat Job tot nu toe vasthield aan zijn oprechtheid, had God opgemerkt (vers 3).

Job 2:10

Job 2:10  Maar hij zeide tot haar: Gij spreekt als een der zottinnen spreekt; ja, zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet. (SV)

In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet.

Vergelijk:

Job 1:22  In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe. (SV)

Voetnoot

  1. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op dit vers.