Jojakim

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Jojakim (Hebr. Jehojakim en Jojakim d.i. God richt op of God verheft) was, omstreeks de eeuwwisseling naar de 6e eeuw v.C., de op twee na laatste koning van Juda. Hij deed wat kwaad was in de ogen van God.

Hij was de oudste zoon van de Godvrezende Josia en diens vrouw Zebudda, 2 Kon. 23:36. Oorspronkelijk was zijn naam Eljakim.

Koningshuis van David
David
 
Bathseba
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Salomo
 
Naäma
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Rehabeam
 
Maächa
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Abia(m)
 
Maächa
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Asa
 
Azuba
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Josafat
 
?
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Joram
 
Athalia
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Ahazia
 
Zibja
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Joas
 
Joaddan
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Amazia
 
Jecholia
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Uzzia
 
Jerusa
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jotham
 
?
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Achaz
 
Abia
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Hizkia
 
Hefziba
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Manasse
 
Mesullemet
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Amon
 
Jedida
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Josia
 
Hamutal
 
Zebudda
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Joahaz
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jojakim
 
Nehusta
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jojachin
 
 
 
 
 
Zedekia

25 jaar oud werd hij koning, 2 Kon. 23:36. Zijn regering duurde 11 jaren (609-598 v.Chr., of 610-599), zie 2 Kon. 23:34-36; 2 Kron. 36:5.

700 — 600 v.C. < Israël 650 — 550 v.C.[1] > 600 — 500 v.C.
EvilmerodachEzechiël (Bijbelboek)ZedekiaJojachinNebukadnezarJojakimJoahazNechoJosiaAmonAsnapparManasse (koning)

Hij stond bij het volk niet hoog aangeschreven, want toen zijn vader Josia bij Megiddo sneuvelde, werd niet hij, de oudste, maar Joahaz, de jongere zoon van Josia, tot koning verheven (2 Kon. 23:31, 36). De uitkomst bewees dat Juda deze oudste zoon van de Godvrezende Josia kende.

De krijgshaftige Joahaz werd echter door farao Necho naar Egypte gevoerd en zijn oudere broer Jojakim tot koning aangesteld, waarbij Necho, om de nieuwe koning van Juda zijn afhankelijkheid te herinneren, zijn naam Eljakim veranderde in die van Jojakim (2 Kon. 23:34) en het land een schatting oplegde van 100 talenten zilver en één talent goud (2 Kon. 23: 33, 35).

Jojakim was een tyranniek en lichtzinnig vorst. Ten einde zijn voorliefde voor prachtige paleizen te bevredigen, verrijkte hij zich ten koste van het verarmde volk; dwong zijn onderdanen aan de versterking van Jeruzalem te arbeiden zonder loon (Jer. 22: 13-17, vgl. Hab. 2: 9-14) en herstelde de afgoderij, die zijn vader Josia uitgeroeid had (2 Kron. 36:8, Jer. 7:9v;  17:2;19:4vv; Ez. 8:9-17).

Te vergeefs waarschuwden de profeten Jeremia, Uria en Habakuk. Uria werd gedood en Jeremia zou hetzelfde lot hebben ondergaan, als zijn vrienden hem niet hadden beschermd (Jer. 26:11, 21-23; 2 Kon. 24:4).

Intussen trok farao Necho naar de Eufraat. Bij Karchemis (Circesium) kwam het tot een treffen tussen hem en de Babylonische koning Nebukadnezar, en werd Necho geslagen. Dit gebeurde in 605/606 v.Chr., in het vierde jaar van Jojakim (Jer. 46:2). Na schatplichtig te zijn geweest aan Egypte, werd Jojakim schatplichtig aan Babel.

Jojakim werpt de boekrol met Jeremia's Godsspraken in het vuur.

Jeremia kondigde het oordeel Gods aan over Juda, Egypte en alle volkeren van Vóór-Azië (Jer. 25), en weldra werd zijn Godspraak vervuld. In 606 naderde Nebukadnezar de grenzen van Israël. Er werd een vasten uitgeroepen, waarop het volk zich in de voorhof van de tempel verdrong om de hulp van de Heer af te smeken, en Baruch Jeremia' Godsspraken voorlas dat Jeruzalem zou vergaan en de tempel zou vernietigd worden (Jer. 36:9). Deze woorden van de profeet Jeremia kwamen koning Jojakim ter ore en hij liet zich de rol voorlezen.

Jer 36:22 Terwijl de koning [in] het winterpaleis zat - het was de negende maand - met vóór hem een brandend kolenbekken, Jer 36:23 gebeurde het, zodra Jehudi drie of vier kolommen had voorgelezen, [dat de koning] ze met een schrijversmes afsneed en in het vuur wierp dat in het kolenbekken was, totdat heel de rol verteerd was in het vuur dat in het kolenbekken was. Jer 36:24 Zij schrokken niet en zij scheurden hun kleding niet, de koning evenmin als al zijn dienaren, die al deze woorden gehoord hadden. (HSV)

Jojakim liet de boekrol bij stukken verbranden en gaf daarna bevel om Jeremia en de schrijver Baruch te grijpen. Maar God had hen verborgen. God verklaarde dat hij Jojakim zou straffen:

Jer 36:29 en zeg tegen Jojakim, de koning van Juda: Zo zegt de HEERE: Ú hebt deze rol verbrand [en] gezegd: Waarom hebt u daarop geschreven: De koning van Babel zal beslist komen en zal dit land te gronde richten en hij zal mens en dier eruit wegdoen? Jer 36:30 Daarom, zo zegt de HEERE over Jojakim, de koning van Juda: Hij zal niemand hebben die op de troon van David zit, en zijn dode lichaam zal weggeworpen liggen, overdag in de hitte en ‘s nachts in de kou. (HSV)

Weldra viel Nebukadnezar in Juda, nam Jeruzalem in en Jojakim gevangen, legde het volk een schatting op, voerde de tempelgereedschappen mee naar Babel, waar zij eerst in zijn paleis gebracht en daarna tot versiering van de tempel van Baäl aangewend werden (2 Kon. 24:1, Jer. 35:11, 2 Kron. 36:6; Dan. 1:2[2].

Gelukkig voor Juda werd Nebukadnezar plotseling naar Babel teruggeroepen om ten gevolge van de dood van zijn vader Nabopolassar (zoals blijk uit de 43-jarige duur van Nebukadnézars bewind vergeleken met 2 Kon. 25:27 in het 6de jaar van Jojakim) de regering te aanvaarden[3]

Nebukadnezar liet Jojakim in Jeruzalem als een vazal, of, indien hij hem had meegenomen naar Babel, stond hij Jojakim toe om terug te keren (2 Kron. 36: 5-8; Dan. 1: 2).

Drie jaren later weigerde Jojakim de hem opgelegde schatting te betalen (2 Kon. 24:1), waarop God tegen hem en Juda de benden der Chaldeeën, de Syriërs, de Moabieten en de Ammonieten zond (2 Koningen 24: 1-5).

2Kon 24:1 In zijn dagen trok Nebukadnezar, de koning van Babel, op, en Jojakim werd [gedurende] drie jaar zijn dienaar. Daarna kwam hij opnieuw tegen hem in opstand. 2Kon 24:2 Toen zond de HEERE de benden van de Chaldeeën tegen hem, de benden van Syrië, de benden van Moab en de benden van de Ammonieten. Hij zond hen tegen Juda om het om te brengen, overeenkomstig het woord van de HEERE dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn dienaren, de profeten. 2Kon 24:3 Ja, naar het bevel van de HEERE gebeurde dit in Juda, om hen van voor Zijn aangezicht weg te doen vanwege de zonden van Manasse, vanwege alles wat hij gedaan had, 2Kon 24:4 en ook [vanwege] het onschuldig bloed dat hij vergoten had - hij had Jeruzalem met onschuldig bloed gevuld. Daarom wilde de HEERE geen vergeving schenken. (HSV)

De hulp van Egypte, waarschijnlijk de koning toegezegd, bleef achter (2 Kon. 24:7), en voordat Nebukadnézar zelf te Jeruzalem was gekomen om Jojakim voor zijn afval te straffen, stierf deze en liet zijn land en volk in de treurigste toestand achter.

Er is geen bijbels verslag van het einde van Jojakim. Uit 2 Kon. 24:2 zou men kunnen opmaken, dat Jojakims leger door de roversbenden verslagen werd. Misschien is hij bij een uitval van die benden gesneuveld, want Jeremia voorspelde (22:19; 36:30) dat zijn lijk onbegraven zou blijven.

Bronnen

In de eerste versie van dit artikel is gebruik gemaakt van tekst uit: A New and Concise Bible Dictionary s.v. Jehoiakim. George Morris, 1899. En tevens uit: Ed. Rhiem, C.H. van Rhijn (red.), Bijbelsch woordenboek voor ontwikkelde lezers der Heilige Schriften, s.v. Jojakim. Utrecht: Kemink & Zoon, z.j.

Voetnoten

  1. De jaartallen zijn meerendeels ontleend aan Bijbels ontstaansmodel; tijdbalk Masoreten (Stichting De Oude Wereld, 2009).
  2. Vgl. ook de berichten door Flavius Josephus in zijn C. Apion. 1, 19 en Oudheden. 10, 11 aan Berosus ontleend.
  3. Dat Nebukadzenar in Jer. 25:1; 2 Kon. 24:1 en 2 Kron. 36:6 reeds koning genoemd wordt, is een anticipatie, welke, zoals wij weten, meer voorkomt.