Josia

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Josía (= "dien Jah geneest") of Josjiahoe[1] was een vrome koning van Juda in de 2e helft van de 7e eeuw v.Chr. Onder zijn bewind werd, na de vondst van het wetboek van Mozes, de afgoderij en het occultisme bestreden en de (uitwendige) godsdienst van Israël hersteld.

Naam en verwijzing. De Hebreeuwse naam is יאשׁיה, Yoshiya, of יאשׁיהו, Yo’shiyahoe, en betekent = "dien Jah geneest"[2] of "dien Jah heelt". Het Strongnummer is 02977. De eigennaam komt 53x voor in het Oude Testament. Engels: Josiah. De naam verwijst in het Oude Testament naar twee verschillende mannen:

  1. koning Josia, zie hieronder.
  2. dezelfde als Chen, een van de ballingen, uit Babel teruggekeerd. Hij was de zoon van Zefanja bij wie de kroning plaatsvond van Jozua de hogepriester ten tijde van de profeet Zacharia.

Koning Josia

Josia was de zoon en opvolger van Amon, koning van Juda. Zijn moeder was Jedida.

Koningshuis van David
David
 
Bathseba
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Salomo
 
Naäma
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Rehabeam
 
Maächa
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Abia(m)
 
Maächa
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Asa
 
Azuba
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Josafat
 
?
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Joram
 
Athalia
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Ahazia
 
Zibja
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Joas
 
Joaddan
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Amazia
 
Jecholia
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Uzzia
 
Jerusa
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jotham
 
?
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Achaz
 
Abia
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Hizkia
 
Hefziba
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Manasse
 
Mesullemet
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Amon
 
Jedida
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Josia
 
Hamutal
 
Zebudda
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Joahaz
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jojakim
 
Nehusta
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jojachin
 
 
 
 
 
Zedekia

Hij werd geboren toen zijn vader Amon 16 jaar oud was[3]. Amon werd vermoord toen hij 24 jaar oud was, na twee jaar geregeerd te hebben. Josia was acht jaar oud toen hij koning werd en regeerde gedurende 31 jaren, van het jaar 640 tot 609 vóór Chr.[4].

700 — 600 v.C. < Israël 650 — 550 v.C.[5] > 600 — 500 v.C.
EvilmerodachEzechiël (Bijbelboek)ZedekiaJojachinNebukadnezarJojakimJoahazNechoJosiaAmonAsnapparManasse (koning)
Josia scheurt zijn kleren wanneer hem na de lezing van het wetboek duidelijk is geworden hoezeer het volk is afgeweken van Gods wet.

Reeds vroeg wekte hij gunstige verwachtingen van zijn bestuur voor de toekomst op. Was de zedelijk-godsdienstige toestand van zijn volk zeer treurig, hij nam vele maatregelen ter verbetering, en ter onderdrukking van alle afgoderij en occultisme. Maar vooral werd zijn ijver aangevuurd voor de dienst van Jhwh, toen het wetboek in de tempel gevonden was, waaruit slechts al te duidelijk bleek, hoever men van Gods inzettingen afgeweken en hoe droevig de tegenwoordige toestand was. Josia was intussen ca. 26 jaar oud (2 Kon. 22:3; ca. 622 v.C.).

Hij liet God raadplegen door de profetes Hulda. God liet weten dat hij het voorzegde kwaad over Jeruzalem zou brengen:

2Kon 22:16 Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal kwaad over deze plaats brengen, en over haar inwoners, [namelijk] al de woorden des boeks, dat de koning van Juda gelezen heeft. 2Kon 22:17 Daarom dat zij Mij verlaten, en anderen goden gerookt hebben, opdat zij Mij tot toorn verwekten met al het werk hunner handen, zo zal Mijn grimmigheid aangestoken worden, tegen deze plaats, en niet uitgeblust worden. (SV)

God voegde er aan toe dat Josia dat kwaad niet zou zien en zelf in vrede tot zijn vaderen verzameld zou worden. Uit de verdere geschiedenis weten wij dat Josia 13 jaren later stierf (ca. 609 v.C.) en 36 jaren later (ca. 586 v.C.) Jeruzalem werd verwoest. De krachtige indruk, die de inhoud op volk en vorst maakte, deed Josia onverwijld handen aan het werk slaan, ten einde een gehele hervorming te bewerken en zijn onderdanen van nu af de betere weg te doen bewandelen. Al wat het kenmerk van onwettigheid droeg, werd afgeschaft, de priesterlijke dienst opnieuw geregeld, de tempel gereinigd en gezuiverd, alle plaatsen en heiligdommen van de heidense eredienst ontwijd, onbruikbaar gemaakt.

2Kon 23:24 Ook deed Josia de dodenbezweerders weg, de waarzeggers, de afgodsbeeldjes, de stinkgoden en alle afschuwelijke afgoden die in het land van Juda en in Jeruzalem gezien werden, om zo de woorden van de wet uit te voeren, die beschreven waren in het boek dat de priester Hilkia in het huis van de HEERE gevonden had. (HSV)

Zelfs trok hij het gebied van het voormalige rijk der tien stammen door, om ook daar als hervormer op te treden.

2Kon 23:15 En ook het altaar dat in Bethel stond, en de offerhoogte die Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen, gemaakt had-ook dat altaar en die offerhoogte brak hij af; ja, hij verbrandde de offerhoogte, verpulverde die tot stof en verbrandde de gewijde paal. (HSV)

Tenslotte achtte hij de tijd gekomen, om een algemeen Pascha te vieren, volgens de aloude voorschriften, waartoe hij niet alleen de Judeeërs, maar ook de overgeblevene bewoners van het vroegere rijk Israël opriep. Dat gebeurde in het 18e jaar van zijn regering, toen hij ca. 26 jaar oud was.

2Kon 23:23 Maar in het achttiende jaar van den koning Josia, werd dit pascha den HEERE te Jeruzalem gehouden. (SV)

Dit alles beloofde veel. Evenwel was het slechts een kortstondige opflikkering van geestelijk leven. Josia's hervorming bleek alleen een uitwendige geweest te zijn, daar het volk onder de volgende vorsten weer tot zijn oude zonden terugkeerde en zijn ondergang tegemoet snelde. God keerde zich daarom van de brand van zijn grote toorn tegen Juda niet af, om al de tergingen waarmee koning Manasse, de opa van Josia, Hem getergd had (2 Kon. 23:26; 22:16v). De vrome koning stierf weldra een vroegtijdige dood, toen hij tegen de Egyptische vorst Farao Necho in het dal van Megiddo opgetrokken was. Onvoorzichtig genoeg wilde Josia hem beletten de Chaldeeuwse macht onder Nabopolassar aan te vallen; hij hoorde niet, toen Farao Necho hem, met woorden door God ingegeven, de krijg ontraadde. Dodelijk gewond naar Jeruzalem gebracht, stierf hij, ongeveer 39 jaar oud zijnde, beklaagd door het gehele rijk, daar zijn godsvrucht, zijn rechtvaardigheid en goed bestuur hem de algemene liefde hadden doen verwerven. De profeet Jeremia schreef een klaaglied over hem (2 Kron. 35:25).

2Kon 23:25 Vóór hem was er geen koning aan hem gelijk, die zich met heel zijn hart, heel zijn ziel en met heel zijn kracht tot de HEERE bekeerd had, overeenkomstig de hele wet van Mozes; en na hem stond zijns gelijke niet op. (HSV)

Van zijn vier zonen Johanan, Jojakim, Zedekia en Joahaz (Sallum) zijn de drie laatsten hem opgevolgd. 23 jaren na de dood van Josia zouden Jeruzalem en de tempel in 586 v.C. door de Babyloniërs worden verwoest

Regering van Josia - Access Foundation 77.jpg

Meer weten

C.H. Mackintosh, Koningen bij de gratie Gods; het leven van David en Josia. Uitgeverij Medema, Apeldoorn. Bladzijden: 175.

Bronnen

P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling. Haarlem: De erven F. Bohn, 1866. Tekst van het lemma 'Josia' is op 5 jan. 2018 verwerkt.

Hebreeuws-Nederlands Lexicon; op basis van Strong-coderingen. Onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia. Het is gebaseerd op het Engelstalige Online Bible Hebrew-Englisch Lexicon van Larry Pierce. 

Voetnoten

  1. Naar de Hebreeuwse klank, zo gebruikt in de Naardense Bijbelvertaling.
  2. Hebreeuws-Nederlands Lexicon; op basis van Strong-coderingen. Onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia. Het is gebaseerd op het Engelstalige Online Bible Hebrew-Englisch Lexicon van Larry Pierce. 
  3. Vergelijk 2 Kron. 33:21 en 2 Kron. 34:1. 24 - 8 = 16.
  4. 641 — 610 heeft P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling. (Haarlem: De erven F. Bohn, 1866) s.v. Josia.
  5. De jaartallen zijn meerendeels ontleend aan Bijbels ontstaansmodel; tijdbalk Masoreten (Stichting De Oude Wereld, 2009).