Jozua (boek)/15

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb
Jozua (boek), hoofdstuk: 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24

Hoofdstuk 15 van Jozua (boek) wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

In het kort: het erfdeel met de steden van de stam van Juda. De landpalen (grenzen) van het erfdeel van de stam Juda (1-12), en daaronder Hebron, het erfdeel van Kaleb, die de drie zonen van Enak daaruit verdreven heeft (13-14). Kaleb belooft de man die Kirjath-Sefer (= Debir) zal innemen, zijn dochter Achsa tot een vrouw te geven, 't welk Othniël, de neef van Kaleb, doet (15-17). Achsa zorgt dat zij en Othniël van haar vader ook een veld en waterbronnen krijgt (18-19). Opgesomd worden de steden in het land van Juda (20-62). De kinderen van Juda konden de Jebusieten uit Jeruzalem niet verdrijven (63).

Joz. 15:32

Joz 15:32  En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen. (SV)

Negen en twintig. Telt men de namen genoemd in de verzen 21 t/m 32 (Statenvertaling), dan komt men op 37. Anderen komen op 38 of 36, afhankelijk van de vertaling. De joden maken er over het algemeen 38 van. Een verschil tussen aantal vermelde namen en het opgegeven aantal zien we ook in vers 36.

De joden verklaren aldus het verschil in aantal: negen van deze steden zijn kater aan de stam Simeon gegeven, Joz 19: 1-9; en die uit de achtendertig worden gehaald, blijven er negenentwintig over; dus Jarchi en Kimchi nemen er rekenschap van; maar aangezien het aantal steden onzeker is, en dit verslag wordt gegeven vóór de scheiding van de negen, en ze allemaal bij elkaar worden gerekend, lijkt dit niet bevredigend te zijn; zoals Abarbinel opmerkt, waren de negenentwintig van de genoemde plaatsen steden, en de andere waren dorpen, niet-ommuurde steden, of niet zo belangrijk als de negenentwintig.

Voor het verschil in tussen 'negen en twintig' en het aantal getelde namen, zijn verschillende verklaringen geopperd:

  1. Enkele plaatsen (namelijk, volgens Joz. 19:2-9, Beër-Séba, Molada, Hazar-Sual, Baäla, Azem, Horma, Ziklag, Ain en Rimmon) zijn later aan Simeon gegeven[1]. 38 - 9 = 29. Dit is de verklaring van de joden. De bekende Joodse uitleggers Jarchi en Kimchi hebben deze verklaring. Tegenwerping: aangezien het aantal steden onzeker is (36, 37 of 38), en dit verslag wordt gegeven vóór de afscheiding van de negen voor Simeon, en ze allemaal bij elkaar worden gerekend, lijkt de verklaring niet bevredigend te zijn.
  2. De negenentwintig van de genoemde plaatsen waren (ommuurde) steden en de andere waren dorpen, niet-ommuurde steden, of niet zo belangrijk als de negenentwintig[2].
  3. Enkele plaatsnamen zijn later aan de oorspronkelijke tekst toegevoegd[3]. Tegenwerping: dan had de toevoeger makkelijk ook het aantal kunnen aanpassen.
  4. Omdat men niet alle steden en hun namen kent, hebben vertalers samengestelde namen gescheiden in verschillende namen[4].

Joz. 15:36

Joz 15:36  En Saaraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen. (SV)

Veertien. Men telt in de verzen 33 t/m 36 (Statenvertaling) echter 15 namen. Zie ook vers 32 voor een verschil tussen aantal vermelde namen en genoemde aantal. Enkele verklaringen van het verschil (oplossingen van de moeilijkheden) zijn:

  1. Gedera en Gederothaïm zijn één[5]. 15 - 1 = 14 namen.
  2. Tappuah en Enam zijn één: Entappuah[6]. 15 - 1 = 14 namen.
  3. Een van de plaats in het verslag was geen (ommuurde) stad, maar een (niet-ommuurd) dorp[7].

Bron

Statenbijbel uitgegeven door het Nederlandsch Bijbelgenootschap, Amsterdam, 1923. Tekst van de samenvatting van Joz. 15 is verwerkt op 21 nov. 2020.

Voetnoten

  1. Adam Clarke's commentary. Hij geeft de voorkeur aan een andere verklaring: samenvoegen of scheiden van namen.
  2. Deze verklaring wordt gegeven door de Joodse Bijbelcommentator Don Isaac Abravanel en John Gill, die de eerste noemt met de naam Abarbinel.
  3. Aantekening bij de Petrus Canisius-vertaling, met de bepaling 'wellicht'.
  4. Adam Clarke's Commentary
  5. Aldus de Joodse uitlegger Kimchi. Naar hem verwijst John Gill in zijn John Gill's Expositor.
  6. Aldus de Joodse uitlegger Karchi. Naar hem verwijst John Gill in zijn John Gill's Expositor.  
  7. Aldus John Gill in John Gill's Expositor.